Staatskundige inrichting

 

De Staten XV

Bart Soens

INLEIDING In dit essay zullen we trachten een staatsstructuur voor de Nederlanden voor te stellen die toekomstgericht is en aangepast aan de hedendaagse politieke, juridische en economische inzichten, maar tegelijkertijd een zekere voeling blijft behouden met het verleden. Dit komt in het bijzonder tot uitdrukking in de naam van de unie: de Staten XV.

Dit verwijst naar de heren XVII, eertijds het directieorgaan van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Enerzijds is de VOC  wellicht de meest glorierijke onderneming uit onze geschiedenis: het maakte de Nederlanden in de 17de eeuw tot een supermacht (1) . Maar anderzijds treffen we in het gegeven van de VOC een drietal principes aan die tevens de basis kunnen vormen van een moderne staatsvisie.

  1. De eenheid der Nederlanden: ongeveer de helft van het kapitaal van de VOC was afkomstig van Zuidnederlanders, op de vlucht voor de Spaanse onderdrukkers.
  2. Het federalisme: de VOC was geen gecentraliseerd bedrijf, maar bestond uit 6 verschillende entiteiten, elk in een andere stad gevestigd.
  3. Het burgerlijke initiatief: de VOC was geen staatsonderneming, maar kwam door het private initiatief tot stand, een terughoudende overheid is bevorderlijk voor het publieke leven in het algemeen.

Deze drie gedachten zullen de rode draad vormen doorheen de volgende bladzijden. Daar schetsen we eerst het algemene filosofische kader waarbinnen we de staat situeren, stellen we vervolgens de Staten XV als statenbond voor en reiken we ten slotte een aantal basisgedachten aan over een grondwet voor de Staten XV.

STAATSFILOSOFISCHE  UITGANGSPUNTEN

Anomie en globalisering

Toen de Franse socioloog Emile Durkheim (2)  begin 20ste eeuw de moraal en het religieuze denken analyseerde, stelde hij vast dat het gemeenschapsgevoel aan toenemende erosie onderhevig was. Durkheim verklaarde dit vanuit het gegeven van de arbeidsverdeling: in een door de technologische vooruitgang almaar complexer wordende maatschappij ontstaan meer en meer deelgroeperingen, elk met hun eigen en soms onderling tegenstrijdige waardensystemen. Door de doorgedreven arbeidsverdeling voelen mensen zich minder met elkaar verwant en wordt de gemeenschappelijke moraal die de grondslag van een samenleving uitmaakt, aangevreten. De maatschappij dreigt te vervallen tot een conglomeraat van drukkingsgroepen en fracties. Dit proces, door Durkheim anomie geheten, heeft zich gedurende de hele 20ste eeuw doorgezet en wordt nog versterkt door de “globalisering”. Onder globalisering kan men een viertal tendensen onderscheiden. Er is het streven naar wereldwijde vrijhandel, de politieke eenmaking van Europa, de migratiedruk en de neiging tot uniformisering van de culturen. Al deze zaken hebben een meer heterogene samenleving tot gevolg, waar het hachelijk wordt om nog over nationale of regionale identiteiten te gewagen. Geen zinnig mens kan de verwezenlijkingen van de technologie afwijzen en door de globalisering komen de zegeningen van de technologie binnen eenieders bereik. Een klimaat van internationale samenwerking kwam in de plaats van de Koude Oorlog. Toch hebben technologische vooruitgang en globalisering ook hun schaduwzijden. Doordat de gemeenschappelijke moraal door de anomie wordt ondergraven, dreigt onze maatschappij ten prooi te vallen aan een allesoverheersend nihilisme. Het wegvallen van de nationale of regionale verbondenheid, ontneemt het individu alweer een geborgenheid. Uiteindelijk dreigt een heterogeen geheel van relatief homogene naties te imploderen om te vervallen tot één homogene en genivelleerde smeltkroes. In een dergelijke situatie vervreemden de burgers totaal van elkaar en zichzelf. Het is dus meer dan ooit noodzakelijk een tegengewicht te bieden aan de anomie en de globalisering. Niet door de economische en politieke vooruitgang af te remmen, maar door deze te laten verlopen in een institutioneel referentiekader dat de uitdrukking is van regionale en nationale affiniteiten

Identiteit

Ieder mens heeft recht op zijn eigen identiteit, daarover is iedereen het wel eens, maar wat houdt deze identiteit precies in ? Identiteit is meer dan enkel een door de administratie afgeleverd papier dat het bewijs levert onderdaan te zijn van een bepaalde staat (3). Identiteit is een veel ruimer begrip. Het kan omschreven worden als het behoren tot bepaalde gemeenschappen, elk met een eigen rol in het leven van het individu, elk met hun eigen dynamiek. Door het lidmaatschap van bepaalde gemeenschappen onderscheidt het individu zich van de anderen en tegelijkertijd zoekt en vindt hij binnen die gemeenschap een verbondenheid met de anderen. Identiteit vormt als het ware de synthese van de dialectische tegenstelling tussen individu en gemeenschap. Het wegvallen van de gemeenschap door anomie en globalisering laat het individu dus wezenloos achter, enkel op zichzelf aangewezen.  De belangrijkste gemeenschappen waarin een individu zich kan terugvinden zijn: het gezin, de plaatselijke gemeenschap, de ruimere familie, het verenigingsleven, de regio, de natie, de beschaving, de wereldgemeenschap. Deze gemeenschappen zijn op te vatten als concentrische cirkels, met het gezin als binnenste en de wereldgemeenschap als buitenste cirkel.

Omtrent de aard van de identiteit kunnen 3 zaken weerhouden worden

– Identiteit bestaat uit meerdere lagen: het individu maakt van meerdere gemeenschappen deel uit. Zolang de waardenstelsels van  deze gemeenschappen met elkaar verenigbaar zijn, beleeft men geen identiteitscrisis.

– Naarmate zich men verder van het centrum van de concentrische cirkel begeeft, wordt de gemeenschap talrijker en bijgevolg de groepsverbondenheid zwakker.

– Aan sommige gemeenschappen is politieke macht toegekend, ze manifesteren zich als staatkundige entiteiten

Staat en identiteit

Opvallend is dat de gemeenschappen die zo bepalend zijn voor de perceptie van de identiteit op organische wijze ontstaan zijn, dit wil zeggen: hun samenstelling zowel als hun functioneren is niet het gevolg van een bewuste ingreep van de mens. Van sommigen kan men zelf nog het lidmaatschap kiezen (zoals het verenigingsleven of de plaatselijke gemeenschap), van anderen dan weer niet (zoals de familie, de regio, de natie). Van oudsher vormen deze gemeenschappen het raamwerk waarbinnen mensen zich organiseren. Aan een bepaalde groep wordt politieke macht toegekend: de gemeenschap kan normen en sancties opleggen aan individuele leden ervan met het oog op het collectieve welzijn. In primitieve maatschappijen is die politieke referentiegroep de familie: het stamverband. Naarmate door de arbeidsverdeling de maatschappij complexer wordt en er dus meer gemeenschappen ontstaan, wordt er op verschillende niveaus politieke macht uitgeoefend. Ook die uitoefening van politieke macht ontsnapt uiteraard niet aan de oplopende complexiteit van de samenleving zodat staatsapparaten ontstaan die hun in de gemeenschap verankerd organicisme inruilen voor een interne rationaliteit. Aldus kunnen de leiders van het staatsapparaat in conflict komen met de gemeenschap die zij beweren te besturen. Dit conflict is zowat permanent  in de verhouding tussen de staat en de vrije markt, het organisch gegroeide economische systeem. En zo kunnen we komen tot een ruwschets van onze hedendaagse maatschappij: op 4 niveaus wordt politieke macht uitgeoefend, te weten het lokale (de gemeente), het regionale, het nationale (België en Nederland) en het beschavingsniveau (Europa). Parallel aan de toenemende complexiteit van de samenleving breidt de staatsmacht zich almaar uit. De staat, met zijn massieve ambtenarenapparaten, heeft zelfs de neiging doelstellingen voor zichzelf uit te vinden (4) . Hij dringt wetten en normen op om zijn eigen machtsapparaat te kunnen uitbreiden en niet om aan bepaalde noden in de volksgemeenschap te kunnen voldoen. Men kan dus niet langer volstaan met de vaststelling dat de staat in een ver verleden uit een volksgemeenschap is voortgekomen. Integendeel dient men de staat op rationele grondvesten te omschrijven.

De legitimiteit van de staat

De staat moet aan een drievoudige legitimiteit voldoen.

  1. De functionele legitimiteit

De Amerikaanse libertarische filosoof Robert Nozick (5) legde uit waarom er überhaupt een staat nodig is en we niet kunnen volstaan met anarchistische gemeenschappen. Een maatschappij zonder staatsgezag kan slechts functioneren indien ieder lid ervan zich aan een zekere “natuurlijke” moraliteit houdt, en dat is volgens Nozick, die daarmee dicht in de buurt komt van Hobbes, een onmogelijke zaak. De leden van een gemeenschap moeten zich verdedigen tegen het agressieve en destructieve gedrag van perfide individuen en daartoe ontstaan “mutual protective agencies”. Dit zijn gemilitariseerde groepen die de interne veiligheid van de gehele groep trachten te verzekeren. Door het marktmechanisme zal 1 zulk een “agency” dominant worden en aldus, bij instemming van het volk, het geweldmonopolie verkrijgen. Aldus kan een staatsapparaat ontstaan ter wille van de veiligheid van zijn burgers. Door aldus de existentiële legitimiteit van de staat te rechtvaardigen, benadrukt Nozick het uitzonderlijke karakter van het overheidsoptreden: dit is immers steeds gebaseerd op het uitoefenen van dwang op de burgers. Deze dwang komt in de eerste plaats tot uiting in het heffen van belastingen. Bij een eventueel optreden van de staat, dient men zich eerst af te vragen of er wel een overheidsinterventie nodig is, of het, met andere woorden, wel gerechtvaardigd is het van de burgers afgedwongen belastinggeld aan een of andere zaak te besteden. Dit soort discussies is in Europa, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, eerder zeldzaam.

  1. De democratische legitimiteit

De Griekse filosofie, het Christelijk Humanisme en de Verlichting die de basis vormen van onze Westerse beschaving, leverden het idee op van de democratie. De staat kan slechts rechtmatig dwang uitoefenen op zijn onderhorigen indien hij handelt met de instemming van de meerderheid der burgers die wordt verkregen via inspraakprocedures. Hieronder worden in de eerste plaats verkiezingen verstaan, daardoor ontstaat een representatief tussenschot tussen burgers en staat, met zijn eigen beroepspolitici. Dit systeem garandeert de aanwezigheid van  nodige bestuurstechnische vaardigheden bij de verkozen bestuurders van de staat. Anderzijds heeft de representatieve klasse de neiging zich tot een “particratische” kaste te ontwikkelen die, in plaats van het heil van de bevolking, enkel haar eigen belangen verdedigt. Daarom is een correctiemechanisme noodzakelijk: de burgers moeten via volksraadplegingen, waartoe zij zelf het initiatief nemen, beslissingen van gekozenen kunnen bijsturen of zelfs ongedaan maken. In Zwitserland (6)  en de Scandinavische landen zijn deze vormen van directe democratie een essentieel onderdeel van de politieke cultuur. De staat dient niet enkel met instemming van de meerderheid bestuurd te worden, hij moet ook nog bepaalde fundamentele rechten van de burgers respecteren. Deze rechten moeten daarom afdwingbaar zijn via een rechtbank, zoals nu min of meer het geval is met de rechten voortkomend uit de Europese Conventie ter bescherming van de rechten van de mens.

  1. De nationale legitimiteit

De staat moet de politieke emanatie zijn van een werkelijk levende volksgemeenschap. Deze vereiste hangt nauw samen met de voorgaande, immers het woord “democratie” omvat het begrip “demos”, dat staat voor “volk”. Slechts een gemeenschap die zich (op basis van een gemeenschappelijk identiteitsgevoelen) verbonden weet zal zich efficiënt weten te organiseren, slechts dan zal er voldoende “animus societatis” zijn. Een gebrek aan gevoelens van verbondenheid resulteert in een uitgesproken egocentrisme en verhindert de onderlinge solidariteit en sociale rechtvaardigheid. Indien de staat zich over een veelheid aan volkeren uitstrekt,  zal hij niet heersen over een gemeenschap, maar over een massa. Een “massacratie” treedt dan in de plaats van de democratie. De democratische instellingen blijven bestaan, maar worden van binnenuit uitgehold en zijn niet veel meer dan vervelende formaliteiten voor een politieke klasse die geen binding meer heeft met de bevolking omdat ze zichzelf niet meer kan legitimeren, ondanks de door haar met het oog op zelfbehoud geproduceerde staatsideologie. Uit de geschiedenis bleek duidelijk dat dergelijke “multiculturele” staten zoals Joegoslavië, Tsjecho-Slowakije  of het Oostenrijks-Hongaarse Rijk ten onder gaan van zodra een democratisch stelsel wordt ingevoerd. Het voorbeeld van België leert dat het niet vervullen van de nationale legitimiteit van de staat uiteindelijk ook de democratische en zelfs de functionele legitimiteit ervan kan aantasten. Zo kan België slechts blijven bestaan zolang de democratische (Vlaamse) meerderheid, via allerlei ingenieuze grondwettelijke constructies, buiten werking wordt geplaatst. Het voortbestaan van het Belgische staatsapparaat steunt niet op zijn democratische legitimiteit bij de bevolking, maar op een subtiel samenstel van allerlei politieke, taalkundige en levensbeschouwelijke evenwichten. Daardoor werd zowel de financiële toestand als de slagkracht van het koninkrijk aangetast, zodanig zelfs dat, in de nasleep van de Dutrouxaffaire, vele burgers zelfs hun eigen veiligheid niet meer gewaarborgd weten door de Belgische staat. Daardoor komt zelfs de primaire bestaansreden van deze staat in het gedrang.

Zoals gezegd bestaat identiteit uit vele lagen, een staat die beweert de uitdrukking te zijn van een volksgemeenschap, is dan ook per definitie ingericht volgens de principes van het federalisme. Wie federalisme zegt, zegt evenwel ook subsidiariteit: aangezien de groepsverbondenheden op “lagere” niveaus sterker zijn dan op “hogere”, hebben in principe de lagere overheden meer bevoegdheden dan de hogere. Een staat die wel over een bepaalde bestaande gemeenschap heerst, maar teveel bevoegdheden uitoefent in verhouding tot de op dat niveau bestaande gemeenschapsgevoelens, heeft geen voldoende draagvlak en dreigt onder zijn eigen gewicht te bezwijken. Met name in de Europese Unie dreigt dit probleem zich te stellen: de supranationale instellingen eigenen zich meer en meer bevoegdheden toe zonder dit te verantwoorden vanuit het subsidiariteitsbeginsel. Toch dient hier onmiddellijk aan toegevoegd te worden dat de efficiëntie van het staatsoptreden en het realiseren van bepaalde schaaleffecten een afwijking van de strikte toepassing van het subsidiariteitsbeginsel kunnen toestaan.

Daarnaast stelt zich binnen de Unie ook het probleem van het democratisch deficit: de democratische inspraak- en controleregelen zijn beter uitgebouwd op nationaal en regionaal dan op Europees niveau. Met name op het gebied van de scheiding van de wetgevende en uitvoerende macht stelt zich in Europa een zwaar probleem: de nationale regeringen hebben wetgevende macht op supranationaal niveau

Besluiten

De burger zoekt temidden afkalvende normenstelsels en een alsmaar kleiner wordende wereld naar tegengewichten en vindt die in de lokale, regionale en nationale verbondenheid met anderen.  Het uitoefenen van politieke macht dient dan ook noodzakelijkerwijs volgens deze patronen te verlopen. De machtsapparaten dienen zowel in hun bereik als in hun omvang te beantwoorden aan organisch gegroeide identiteiten. Daarbij moet vermeden worden dat deze machtsapparaten hun eigen dynamiek ontwikkelen en zich zo ontvoogden van de volksgemeenschap. Directe democratie, strikte controle op de overheidsfinanciën en individueel afdwingbare grondrechten dienen daarom de basisgedachten te zijn van het constitutioneel bestel. De hoogste macht is in handen van rechters die toezien op de rechten van de individuele burgers. In geen geval betekent dit een zwakke staat: integendeel, juist omdat zijn beslissingen de hoogst mogelijke democratische legitimiteit hebben, dienen ze onverkort, onvoorwaardelijk en desnoods zelfs meedogenloos te worden uitgevoerd. In de volgende hoofdstukken trachten we deze besluiten om te zetten in een confederatie die bestaat uit 15 deelstaten en waar het staatsoptreden strikt gereglementeerd en gecontroleerd wordt teneinde de burgers maximale ontplooiingskansen te bieden: de Staten XV. DE  STATEN XV De Staten XV is een confederatie van 15 deelstaten, van noord naar zuid zijn dat:

  1. West-Saksen (Groningen, Drenthe en de Noordoostpolder)
  2. Friesland
  3. Holland (Noord- en Zuid-Holland, Utrecht en Zeeland minus Zeeuws-Vlaanderen)
  4. Gelderland (Gelderland, Flevoland en Overijssel)
  5. Stadstaat Amsterdam (de stadsagglomeratie)
  6. Vrijhaven Rotterdam (de stadsagglomeratie en de haven)
  7. Limburg (de beide provincies)
  8. Brabant (Noord-Brabant, de provincie Antwerpen en Vlaams-Brabant)
  9. Metropool Antwerpen (de stadsagglomeratie en de haven)
  10. Vlaanderen (Oost- West- en Zeeuws-Vlaanderen)
  11. Brussel District van Brabant (de 19 gemeenten)
  12. Condroz (Waals-Brabant, Namen en het westelijk deel van de provincie Luik)
  13. Vrijstad Luik (de stadsagglomeratie)
  14. Henegouwen
  15. Luxemburg (het groothertogdom, de provincie +het oostelijk deel van de provincie Luik)

Deze indeling gaat uit van de Benelux in zijn huidige verschijningsvorm en dus werden de 5 zuidelijke, Franstalige gewesten mee opgenomen. Het is echter de vraag of zij wel thuishoren in deze Heelnederlandse constructie. Zo zal de opname van Franstalige deelstaten de Staten XV een tweetalig karakter geven, wat gevoelig kan liggen bij de Vlaamse Beweging. Bovendien zijn er onbetwistbaar grote culturele verschillen ontstaan tussen het huidige Vlaanderen en het huidige Wallonië wat de wederzijdse verstandhouding niet ten goede is gekomen. Anderzijds hebben we een zekere gemeenschappelijke geschiedenis en zijn er door de eeuwen heen tussen de drie Benelux-staten banden gegroeid die  sterker zijn dan die met andere buurlanden. Een ingewikkelde kwestie, met een eenvoudige oplossing: vraag het de bevolking …

Vooreerst moeten de Franstaligen natuurlijk zelf geïnteresseerd zijn in een opname bij de Staten XV. Het is niet ondenkbaar dat zij een soort romp-België of een onafhankelijk Wallonië wensen te vormen. Een dergelijke Franstalige staat zou dan mogelijk toenadering zoeken tot Frankrijk. Wellicht is men vooral in Henegouwen een “rattachistische” oplossing niet ongenegen, terwijl Luxemburg en Brussel, die altijd al hun eigenheid hebben gekoesterd, zich aangesproken zouden kunnen voelen door de hoge mate van zelfstandigheid die ze in de Staten XV zullen genieten.

Indien dus bepaalde gebieden die buiten de oorspronkelijke staatsvorming van de Heelnederlandse confederatie bleven achteraf willen toetreden, dient hun aanvraag bij referendum voorgelegd te worden aan iedere burger van de Unie. Daartoe wordt een procedure in de Grondwet opgenomen. Eenieder moet dus voor zichzelf uitmaken of er voldoende “animus societatis” aanwezig is bij beide partijen. Het is de burger die dus het precieze “getal” van de confederatie zal bepalen. Wellicht zal dit tussen de X en de XV schommelen… In afwachting van de uitkomst van het referendum wordt hier verder uitgegaan van 15 staten.

De indeling van de deelstaten poogt min of meer bestaande regionale volksverbondenheden te volgen. Daarbij worden de huidige artificiële landsgrenzen tussen Vlaanderen en Nederland enerzijds en tussen de provincie en het Groothertogdom Luxemburg anderzijds volledig uitgewist. De deelstaten Vlaanderen, Brabant, Limburg en Luxemburg zullen opnieuw hun traditionele, organisch gegroeide grenzen krijgen. De 5 stadstaten, die op gelijke voet staan met de overige deelstaten, kunnen zich tot kosmopolitische groeiregio’s ontwikkelen en aldus aanknopen met hun historische traditie.

De indeling in 15 staten vermijdt de overheersing door 1 bepaalde deelstaat of een voortdurende  concurrentie tussen bepaalde deelstaten die de unie kan doen springen. In een twee- of drieledig (con)federalisme is dit risico aanzienlijk groter. De Staten XV hebben bewust dus geen zwaartepunt. Holland is door zijn stedelijke concentratie (de Randstad) een belangrijke deelstaat, maar Amsterdam en Rotterdam worden als afzonderlijke stadstaat “geamputeerd”. Niet om Holland te kortwieken, wel om beide steden alle kansen te geven om hun eigenheid te ontwikkelen. Brabant is het geografische hartland van de Staten XV terwijl Vlaanderen, met zijn 2 havens en de legendarische ondernemingsijver van de Kortrijkse regio, een bijzonder economisch dynamisme zal cultiveren. Luxemburg bouwt zichzelf met  Ardense koppigheid uit tot het financiële centrum van de confederatie. West-Saksen wint gas terwijl Gelderland als “groene long” aanzienlijke recreatieve mogelijkheden bezit. De groeiregio Condroz kan als voorbeeld dienen voor de noodzakelijke reconversie van Henegouwen. Limburg en Friesland weten zich eindelijk ten volle in hun eigenheid bevestigd. Als hoofdstad van de Staten XV komen zowel Amsterdam, Rotterdam, ‘s Gravenhage, Brussel DB als Antwerpen in aanmerking. Er kan evenwel, naar het voorbeeld van de Weimarrepubliek, ook geopteerd worden voor een provinciestad. In dat geval springt, wegens zijn centrale ligging, Breda in het oog.

Naar analogie van “Washington District of Columbia” draagt de deelstaat Brussel het epitheton “District van Brabant”. Aldus komt de verbondenheid met de omringende deelstaat Brabant sterk tot uiting. Of het nu toetreedt tot de confederatie of niet, Brussel DB zal hoedanook  verplicht zijn om over allerlei aangelegenheden akkoorden te sluiten met Brabant. Daaraan gekoppeld dient Brussel DB bepaalde faciliteiten te verlenen aan de Brusselse Vlamingen. Het zijn verder de deelstatelijke overheden die eenzijdig en onafhankelijk beslissen wat er gebeurt met de faciliteiten die de Franstaligen vandaag genieten in bepaalde Nederlandstalige gemeenten.

Er is in de grond geen reden om de zogenaamde Oostkantons in de Staten XV op te nemen. Het was immers het Belgische imperialisme en niet de volkswil die hen in  de huidige Benelux  bracht. De Staten XV zullen zich inspannen om de inwoners van de Oostkantons, als zij dit willen,  opnieuw bij hun natie en hun regio te laten aansluiten: Duitsland en het Rijnland.

De Staten XV zijn geïncorporeerd in de Europese Unie. Zo is het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens toepasbaar in onze rechtsorde, maken we deel uit van de Eurozone en kunnen de Europese instanties bepaalde machten uitoefenen. De Staten XV, met zijn 26 miljoen inwoners en zijn lidmaatschap van de G7, is een rijke en prestigieuze  lidstaat van de EU. Maar aangezien de confederatie zelf slechts de afgeleide is van haar deelstaten, zal zij in haar Europese politiek waken over de rechten en belangen van de kleine lidstaten en van de individuele burgers. Zij zal erop toezien dat de Unie niet verzandt in een jacobijnse, centralistische bureaucratie, maar zal er integendeel naar streven de principes van directe democratie en het strikte financiële toezicht op de overheid ook in de EU volop ingang te laten vinden. De prioritaire taak van de EU is de opname van de staten die zich  vanaf 1989 ontdeden van de communistische en imperialistische dictaturen. De Staten XV heeft de opdracht als lidstaat dit proces binnen de Europese instanties te promoten. Aangezien de Oost-Europese kandidaat-leden veelal kleine staten zijn, te vergelijken met regio’s, kunnen ook de individuele deelstaten van de Staten XV hier een belangrijke rol spelen. Zo kan iedere deelstaat als individuele “gids” optreden voor een bepaald Oost-Europees land. Met behulp van de verdragsluitende bevoegdheden kunnen samenwerkingakkoorden en uitwisselingsprojecten  worden opgezet die blijvende vriendschapsbanden zullen opleveren waarvan beide partners de vruchten zullen plukken. Aldus vervullen de Staten XV hun bijdrage aan Europa: zij zijn een institutioneel rolmodel voor de Europese instellingen en zij investeren in de opname van de nieuwe leden.

GRONDWETTELIJKE  BEGINSELEN

Algemene structuur

De Grondwet van de Staten XV zal 4 hoofdstukken bevatten: – De rechten en vrijheden van de burger – De bevoegdheidsverdelende regele – De machten – Wijzigings-, toetredings- en uittredingsbepalingen Naar Amerikaans voorbeeld dient de Grondwet zeer beknopt te worden gehouden en in een voor ieder burger toegankelijke taal te zijn opgesteld. Het basisdocument van de statenbond moet zo uitgroeien tot een symbool en een element van nationale trots.

Rechten en vrijhede

Indien de rechtsbescherming van de burger het hoogste goed is in onze staatkundige filosofie, is het logisch dat de Grondwet begint met een opsomming van alle rechten en vrijheden die ieder burger van de Staten XV geniet. Voor de inhoud hiervan kunnen we verwijzen naar het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), dat zelf de vrucht is van het Europese humanistische denken, het fundament van onze rechtsorde. De Grondwet verwijst zelf naar de verdragteksten en somt tevens de belangrijkste principes ervan op, zodat de burger zich een duidelijk beeld kan vormen van zijn basisrechten. Daartoe behoren zeker de bescherming van de persoonlijke vrijheid, de vrijheid van meningsuiting en vereniging, het eigendomsrecht en de naleving door de overheid van haar eigen normen.

Daarnaast heeft de Grondwet ook oog voor het inspraakrecht van de burger. Zo moet in principe iedere beslissing van ieder beraadslagend overheidsorgaan aan een volksraadpleging onderworpen kunnen worden. Het initiatief daartoe ligt in handen van de burgers.

Bevoegdheidsverdeling

Het zwaartepunt van de Staten XV ligt bij de deelstaten: zij houden in principe alle bevoegdheden. Dit impliceert dat de bevoegdheden van de Unie een uitdrukkelijke wettelijke grondslag dienen te hebben evenals het feit dat de restbevoegdheden aan de deelstaten  toekomen.

De Grondwet kent 3 soorten bevoegdheden toe aan de Unie

– De toegewezen bevoegdheden: het gaat hier om de uitdrukkelijk in de Grondwet opgesomde overheidstaken die enkel en alleen aan de Unie toekomen. De voornaamste hiervan  zijn  het buitenlands beleid, de landsverdediging, het migratie- en asielbeleid, bepaalde privaatrechtelijke aangelegenheden en het algemene Nederlandse taal- en cultuurbeleid.

– De open bevoegdheden: dit zijn bewust vaag omschreven bevoegdheden waarvan de draagwijdte (uiteindelijk) door de rechtspraak, die ze dient te interpreteren, zal worden bepaald. Het gaat hierbij om zaken zoals de interne markt of mobiliteitsvraagstukken: technische materies die best door de Unie geregeld worden omwille van de beheersefficiëntie of omwille van bepaalde schaaleffecten. Aangezien het optreden daarvan afhankelijk is van economische evoluties, dienen deze bevoegdheden op flexibele wijze geregeld te worden. Het zal dus de rechter zijn die zal oordelen of het, in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is dat de Unie zeggenschap verwerft over  bepaalde beleidsaspecten. Het Hooggerechtshof dient evenwel bij het uittekenen van de confederale macht, terughoudend te werk te gaan. Bovendien worden veel van deze materies reeds beheerst door het EU-recht en hebben de Europese instanties aanzienlijke prerogatieven ter zake.

– Bevoegdheden ter bede: deelstatelijke wetgevers kunnen de Unie verzoeken bepaalde van hun bevoegdheden over te nemen of de uitvoering ervan te verzekeren. Een dergelijke bevoegdheidsoverdracht dient door de deelstatelijke en de confederale wetgevers, het Hooggerechtshof en, in geval een referendum werd afgedwongen, door de burgers te worden goedgekeurd. De afgestane bevoegdheden kunnen op ieder moment weer door de deelstaat worden ingevorderd. In de Staten XV kan aldus sprake zijn van een asymmetrisch confederalisme, waarbij de ene deelstaat meer bevoegdheden heeft dan de andere. Door bevoegdheden naar een hoger beleidsniveau over te dragen, kunnen bepaalde schaaleffecten en synergieën optreden. Daar staat wel een ingewikkelder staatsstructuur tegenover, het is aan de wetgevers om deze zaken tegen elkaar af te wegen. Deze techniek maakt het ook mogelijk tot een hechtere unie te komen tussen de Staten XV zonder daarom de grondwet aan te passen.

De deelstaten genieten een maximale constitutieve autonomie: zij beslissen dus vrijelijk op welke manier zij hun bevoegdheden uitoefenen. Dit houdt in dat zij onder meer beslissen over hun staatsvorm (republiek, koninkrijk, groothertogdom,…), over de inrichting van hun wetgevende en rechtsprekende organen, over het kiesstelsel, over de indeling van hun grondgebied en over de lokale besturen. De autonomie van de deelstaten wordt enkel beperkt door de in de Grondwet opgesomde rechten en vrijheden dewelke steeds in acht dienen te worden genomen. Uiteraard mogen de deelstaten ook geen afbreuk doen aan de bevoegdheden van de Unie. De confederale Grondwet verplicht de deelstaten ook elk hun eigen grondwet op te stellen. De confederatie is niet gemachtigd belastingen te heffen, maar ontvangt jaarlijks dotaties van de deelstaten. Iedere deelstaat levert een bijdrage “naar godvrucht en vermogen” volgens een aan de hand van objectieve economische factoren berekende verdeelsleutel.

De machten

De rechterlijke macht

Het is alweer geen toeval dat de rechterlijke macht als eerste in de opsomming naar voren komt: deze instantie, in de eerste plaats belast met het toezicht op de overheid, zal wellicht tot de machtigste confederale instelling uitgroeien. Op confederaal vlak zijn er 2 rechtbanken: het Hooggerechtshof en het Rekenhof

– Het Hooggerechtshof ziet toe op de naleving van de Grondwet door de uitvoerende en wetgevende instanties van de Unie zowel als van de deelstaten. Daarnaast fungeert het Hof als cassatierechter voor de arresten van de deelstatelijke rechtbanken in zoverre deze vragen van confederaal recht oproepen. Ten slotte verleent het Hof zijn verplicht advies over voorstellen van wetten en uitvoeringsbesluiten uitgaande van confederale instanties.

– Het Rekenhof is de rechtbank die toeziet op de financiële integriteit van de overheid. Daartoe heeft het uitgebreide bevoegdheden. Het (auditoraat van) het Rekenhof treedt op als revisor van de begrotingen van de overheid. Geen enkel betuur, van de confederale regering tot het gemeentebestuur, kan belastingen innen alvorens de begroting goedgekeurd werd. Met het oog daarop somt de Grondwet enkele richtlijnen op die het Hof zelf verder kan verfijnen. Daarop aansluitend vernietigt het Hof iedere overheidsbeslissing die een niet te verantwoorden weerslag heeft op de goedgekeurde begroting. Gezien dit alles er is ter bescherming van de belastingbetaler, heeft ieder burger een rechtstreeks vorderingsrecht bij het Rekenhof, dat ook optreedt als cassatierechter in fiscale zaken. Tot slot fungeert het Rekenhof als strafrechtbank voor openbare gezagsdragers die zich schuldig maakten aan misbruik van overheidsfondsen. Het is het auditoraat bij het Rekenhof dat instaat voor de opsporing en vervolging van corrupte en belastinggeld verkwistende politici en ambtenaren. Een veroordeling door het Rekenhof leidt automatisch tot de levenslange ontzetting uit alle politieke rechten. Een niet-rechterlijke, maar uiterst belangrijke taak van het Rekenhof is het vastleggen van de verdeelsleutel volgens dewelke de financiële bijdragen van de deelstaten aan de confederatie berekend worden. Zoals reeds vermeld zijn het verder de deelstaten die, op grond van hun constitutieve autonomie, bepalen hoe het rechterlijk apparaat er uitziet en hoe het samengesteld wordt.

De wetgevende macht

De confederale wetgevende macht bestaat uit 2 organen: de Staten-Generaal en de Landsvergadering. Afhankelijk van het bevolkingsaantal en volgens de plaatselijke kieswetgeving  worden in iedere deelstaat een aantal afgevaardigden gekozen voor de Staten-Generaal evenals een vast aantal afgevaardigden voor de Landsvergadering. Aldus vervult de Staten-Generaal de rol van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden of de Duitse Bundestag, terwijl de Landsvergadering te vergelijken valt met de Amerikaanse Senaat of de Duitse Bundesrat. Beide organen hebben dezelfde bevoegdheden, te weten het uitvaardigen van de confederale wetten, de controle op de confederale regering, het goedkeuren van de confederale begroting en het instemmen met verdragen Confederale wetten staan op hetzelfde hiërarchische niveau als deelstatelijke wetten, bevoegdheidsconflicten zijn grondwettelijke betwistingen waar het Hooggerechtshof uitspraak over doet.

De uitvoerende macht

De Staatspensionaris is het rechtstreeks verkozen staatshoofd van de Staten XV. Hij is belast met het uitvoeren van de confederale wetten, heeft de leiding over de buitenlandse betrekkingen en is opperbevelhebber van het leger. De Staatspensionaris benoemt de leden van de confederale Regering evenals de topambtenaren. De Regering is verantwoording verschuldigd aan de Staten-Generaal en de Landsvergadering, maar ministers kunnen slechts door de Staatspensionaris ontslagen worden. Aldus wordt voorkomen dat het gehele staatsapparaat in handen komt van een “particratie”. Alweer naar Amerikaans voorbeeld wordt de macht gedeeld enerzijds door een rechtstreeks verkozen orgaan (de Staatspensionaris en zijn ministers) en anderzijds door volksvertegenwoordigende instanties (Staten-Generaal en Landsvergadering). En hoewel beide organen duidelijk van elkaar kunnen onderscheiden worden, zijn ze toch op elkaar aangewezen: de Staatspensionaris voert de wetten uit die door de wetgevende macht worden opgesteld. De begroting wordt door de uitvoerende macht opgesteld, maar dient goedgekeurd te worden door de wetgevende. Om onstabiele “cohabitation”-toestanden zoveel mogelijk te voorkomen, worden Staatspensionaris, Staten-Generaal en Landsvergadering op hetzelfde tijdstip en voor eenzelfde periode verkozen, namelijk 5 jaar. In principe kunnen geen vervroegde verkiezingen worden uitgeschreven, in de Staten XV is dus sprake van legislatuurparlementen.

Wijzigings-, toetredings-  en uittredingsbepalingen

De wijziging van de Grondwet verloopt in 2 fasen: eerst moet de wijziging door beide wetgevende kamers met een 2/3 meerderheid (in elke kamer) goedgekeurd worden en vervolgens wordt een referendum uitgeschreven. Pas als een meerderheid van de uitgebrachte stemmen het voorstel tot wijziging goedkeurt, is de Grondwet gewijzigd.

Indien een staat wil toetreden tot de Unie, dient de bevolking in een referendum eerst de toestemming te geven de toetredingsonderhandeligen te beginnen. Indien de onderhandelingen, die onder leiding van de Staatspensionaris worden gevoerd, een akkoord opleveren, verlenen het Hooggerechtshof en het Rekenhof hun advies over de juridische en financiële implicaties daarvan. Indien het advies positief is, kan met een 2/3 meerderheid in beide wetgevende kamers beslist worden de kandidaat tot de confederatie toe te laten. Indien een negatief advies werd verleend (wegens juridische of financiële tekortkomingen), is bijkomend een referendum nodig dat een gewone meerderheid dient op te leveren om de toetreding goed te keuren.

Uittreding uit de Staten XV geschiedt volgens de geijkte regelen van het internationaal recht (7) .

BESLUIT

We besluiten met een herhaling van de in de inleiding opgesomde basisprincipes.

De eenheid der Nederlanden wordt binnen de Europese Unie verwezenlijkt niet enkel door de loutere samenvoeging van het huidige België en het huidige Nederland, maar ook door de indeling van de 15 staten. De vandaag nog bestaande artificiële landsgrenzen spelen in de afbakening tussen de deelstaten geen enkele rol en verdampen aldus volledig. En de unie heeft geen echt centrum, zodat geen deelstaat zich dominant kan opstellen.

De Staten XV zijn een statenbond, een confederatie, waar de nadruk op de deelstaten ligt. Het principe van het federalisme komt het sterkst tot uiting in het bicamerale parlementaire stelsel, in de hiërarchische gelijkheid tussen confederale en deelstatelijke wetten  en in de sterke constitutieve autonomie die de staten genieten.

De door de directe democratie beheerste besluitvorming en de machtige confederale rechtbanken, die nauw toezien op de overheid, getuigen van het grote respect dat de Staten XV voor haar burgers betoont. Voetnoten ————–

  1. Zie hiervoor: Fernand Braudel, Beschaving, economie en kapitalisme; deel III: de tijd van de wereld. Uitgevrij Contact, Amsterdam 1990,  p.165-260.
  2. Zie hiervoor Freddy Mortier en Koen Raes, Een kweste van behoren. Stromingen in de hedendaagse ethiek. Mys en Breesch Uitgevers, Gent 1996,  p. 26-37.
  3. Zie hiervoor Luc Pauwels, Ons behoud als volk in de 21ste eeuw, in Verworteling, verankering. Delta Stichting 1999.
  4. Zie hiervoor W. Niskanen, Bureaucracy and representative government. Aldine, Chicago 1971.
  5. Zie hiervoor Freddy Mortier en Koen Raes (2) Een kwestie van behoren, p.166-179.
  6. Zie hiervoor Paul Beliën, Een Zwitsers systeem voor Vlaanderen, Secessie nr.1, p. 9-11.
  7. Zie hiervoor Marc Cogen, Handboek Internationaal Recht. Mys en Breesch Uitgevers, Gent 1998, p.71-78.

 

Een plan N voor Vlaanderen (en Brussel)

Matthias E. Storme

Een van de chantagemiddelen die de voorbije maanden regelmatig werd aangevoerd tegen voorstanders van Vlaamse onafhankelijkheid bestaat daarin, dat een Vlaanderen dat zich zou afscheuren van België daardoor automatisch buiten de Europese Unie zou liggen en, mocht het daarvan deel willen uitmaken en de voordelen willen genieten, zijn toetreding als lidstaat zou moeten aanvragen, waarbij de Franstaligen er wel voor zouden zorgen dat er draconische toetredingseisen zouden worden gesteld.

Op de eerste plaats gaat deze chantage eraan voorbij dat die stelling impliceert dat in zo’n geval de rest van België wel automatisch lid zou blijven van de Unie, als zijnde de lidstaat België. Waarbij men nogal licht vergeet dat wie België wil voortzetten, ook gehouden is tot de gehele Belgische staatsschuld. Ook wordt daarbij door sommige juristen een zeer specieus onderscheid gemaakt tussen een afscheiding en een opheffing van het land. Op deze vragen wil ik hier vooralsnog niet ingaan, omdat er hoe dan ook voor Vlaanderen nog een erg interessante mogelijkheid bestaat om de chantage te beantwoorden, een Plan “N”.

De grondslag voor dat plan “N” is te vinden in art. 355 lid 3 van het VWEU (Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), gekoppeld aan het zgn. Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Dat Statuut is een Wet van 28 oktober 1954 van het Koninkrijk der Nederlanden later meermaals gewijzigd (1), waarnaar ook verwezen wordt in de Europese verdragen.

Dat Statuut is bij ons vrij onbekend en daardoor allicht onbemind, maar houdt kort gezegd het volgende in. Het regelt de relaties tussen “Nederland” (in het enkelvoud), Aruba, Curaçao en Sint-Maarten als vier landen die overeengekomen zijn om een gemeenschappelijk buitenlands beleid en een gezamenlijke defensie te voeren, een gezamenlijke Nederlandse nationaliteit te verschaffen aan de burgers van die landen en gezamenlijk een koninkrijk te vormen onder het huis van Oranje. Andere onderwerpen kunnen in gemeen overleg tot aangelegenheden van het Koninkrijk worden verklaard (art. 3 van het Statuut). Met andere woorden, dit Koninkrijk vormt een confederatie tussen Nederland en drie kleinere landen.

Vlaanderen zou dan ook kunnen toetreden als een verder land bij dit Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden met behoud van alle bevoegdheden behalve de zonet genoemde. Het leger zou moeten samengesmolten worden en de buitenlandse betrekkingen overgedragen aan de Koninkrijksinstellingen. En we zouden kunnen genieten van onze natuurlijke nationaliteit, het Nederlanderschap.

Een dergelijke toetreding zou meteen ook het Europa-chantage-probleem oplossen. Vlaanderen zou als Europees deel van het Koninkrijk zonder onderbreking deel blijven van de Europese Unie. Het statuut van Vlaanderen zou daarbij ook niet terugvallen op dat van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Die drie landen zijn geassocieerde leden van de Europese Unie als “landen en gebieden overzee” (LGO)(2) -waardoor zij deel uitmaken van de Gemeenschappelijke Markt maar niet in alle opzichten onder het gemeenschapsrecht vallen. Vermits Vlaanderen evenwel een Europees gebied is en geen gebied overzee (LGO), zou hierop art. 355 lid 3 van het VWEU van toepassing zijn. Dat bepaalt immers dat “De bepalingen van de Verdragen zijn van toepassing op de Europese grondgebieden welker buitenlandse betrekkingen door een lidstaat worden behartigd.”

Ook voor Nederland is dit zeker aantrekkelijk: men krijgt er 6 miljoen Nederlanders bij en zowat de helft van zijn economisch potentieel; het Koninkrijk komt daarmee terug in de buurt van de grote landen waarmee het toch graag op wat meer gelijke voet zou komen. Waar een meerderheid van Nederlanders zelfs een volledige een Unie met Vlaanderen niet uitsluit, zal deze tussenoplossing in het Noorden zeker voldoende steun vinden.

Bovendien zou dit plan “N” niet enkel voor Vlaanderen aantrekkelijk zijn, maar ook voor Brussel. Brussel zou als een apart land kunnen toetreden tot het Koninkrijk zonder meer bevoegdhende over te dragen dan de genoemden, zonder deel van Vlaanderen te worden, en met behoud van een aparte inspraak in het Koninkrijk. Toetreding tot het Koninkrijk vereist al evenmin dat Brussel officieel ééntalig Nederlands zou moeten worden; het Frans zou mede officiële taal blijven.

Overigens zou het ook voor Wallonië geen slecht idee zijn om over de toetreding tot het Koninkrijk der Nederlanden na te denken, als een apart land natuurlijk.

Is dit voor Vlaanderen het ideale scenario ? Niet op alle vlakken, bv. omdat dit ons geen apart stemrecht in Europa zou opleveren, en daarvoor inderdaad een herziening van de Verdagen zou moeten worden onderhandeld. Maar het maakt ons wel grotendeels immuun voor de hierboven aangegeven vorm van francobelgische chantage.

(1) Zie http://wetten.overheid.nl/BWBR0002154, ook op http://nl.wikisource.org/wiki/Statuut_voor_het_Koninkrijk_der_Nederlanden
(2) Zie http://europa.eu/legislation_summaries/development/overseas_countries_territories/index_nl.htm

 

 

 

background