Staatskundige inrichting

 

De Staten XV

Bart Soens

INLEIDING

In dit essay zullen we trachten een staatsstructuur voor de Nederlanden voor te stellen die toekomstgericht is en aangepast aan de hedendaagse politieke, juridische en economische inzichten, maar tegelijkertijd een zekere voeling blijft behouden met het verleden. Dit komt in het bijzonder tot uitdrukking in de naam van de unie: de Staten XV. Dit verwijst naar de heren XVII, eertijds het directieorgaan van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Enerzijds is de VOC  wellicht de meest glorierijke onderneming uit onze geschiedenis: het maakte de Nederlanden in de 17de eeuw tot een supermacht (1) . Maar anderzijds treffen we in het gegeven van de VOC een drietal principes aan die tevens de basis kunnen vormen van een moderne staatsvisie.

  1. De eenheid der Nederlanden: ongeveer de helft van het kapitaal van de VOC was afkomstig van Zuidnederlanders, op de vlucht voor de Spaanse onderdrukkers.
  2. Het federalisme: de VOC was geen gecentraliseerd bedrijf, maar bestond uit 6 verschillende entiteiten, elk in een andere stad gevestigd.
  3. Het burgerlijke initiatief: de VOC was geen staatsonderneming, maar kwam door het private initiatief tot stand, een terughoudende overheid is bevorderlijk voor het publieke leven in het algemeen.

Deze drie gedachten zullen de rode draad vormen doorheen de volgende bladzijden. Daar schetsen we eerst het algemene filosofische kader waarbinnen we de staat situeren, stellen we vervolgens de Staten XV als statenbond voor en reiken we ten slotte een aantal basisgedachten aan over een grondwet voor de Staten XV. STAATSFILOSOFISCHE  UITGANGSPUNTEN Anomie en globalisering Toen de Franse socioloog Emile Durkheim (2)  begin 20ste eeuw de moraal en het religieuze denken analyseerde, stelde hij vast dat het gemeenschapsgevoel aan toenemende erosie onderhevig was. Durkheim verklaarde dit vanuit het gegeven van de arbeidsverdeling: in een door de technologische vooruitgang almaar complexer wordende maatschappij ontstaan meer en meer deelgroeperingen, elk met hun eigen en soms onderling tegenstrijdige waardensystemen. Door de doorgedreven arbeidsverdeling voelen mensen zich minder met elkaar verwant en wordt de gemeenschappelijke moraal die de grondslag van een samenleving uitmaakt, aangevreten. De maatschappij dreigt te vervallen tot een conglomeraat van drukkingsgroepen en fracties. Dit proces, door Durkheim anomie geheten, heeft zich gedurende de hele 20ste eeuw doorgezet en wordt nog versterkt door de “globalisering”. Onder globalisering kan men een viertal tendensen onderscheiden. Er is het streven naar wereldwijde vrijhandel, de politieke eenmaking van Europa, de migratiedruk en de neiging tot uniformisering van de culturen. Al deze zaken hebben een meer heterogene samenleving tot gevolg, waar het hachelijk wordt om nog over nationale of regionale identiteiten te gewagen. Geen zinnig mens kan de verwezenlijkingen van de technologie afwijzen en door de globalisering komen de zegeningen van de technologie binnen eenieders bereik. Een klimaat van internationale samenwerking kwam in de plaats van de Koude Oorlog. Toch hebben technologische vooruitgang en globalisering ook hun schaduwzijden. Doordat de gemeenschappelijke moraal door de anomie wordt ondergraven, dreigt onze maatschappij ten prooi te vallen aan een allesoverheersend nihilisme. Het wegvallen van de nationale of regionale verbondenheid, ontneemt het individu alweer een geborgenheid. Uiteindelijk dreigt een heterogeen geheel van relatief homogene naties te imploderen om te vervallen tot één homogene en genivelleerde smeltkroes. In een dergelijke situatie vervreemden de burgers totaal van elkaar en zichzelf. Het is dus meer dan ooit noodzakelijk een tegengewicht te bieden aan de anomie en de globalisering. Niet door de economische en politieke vooruitgang af te remmen, maar door deze te laten verlopen in een institutioneel referentiekader dat de uitdrukking is van regionale en nationale affiniteiten Identiteit Ieder mens heeft recht op zijn eigen identiteit, daarover is iedereen het wel eens, maar wat houdt deze identiteit precies in ? Identiteit is meer dan enkel een door de administratie afgeleverd papier dat het bewijs levert onderdaan te zijn van een bepaalde staat (3). Identiteit is een veel ruimer begrip. Het kan omschreven worden als het behoren tot bepaalde gemeenschappen, elk met een eigen rol in het leven van het individu, elk met hun eigen dynamiek. Door het lidmaatschap van bepaalde gemeenschappen onderscheidt het individu zich van de anderen en tegelijkertijd zoekt en vindt hij binnen die gemeenschap een verbondenheid met de anderen. Identiteit vormt als het ware de synthese van de dialectische tegenstelling tussen individu en gemeenschap. Het wegvallen van de gemeenschap door anomie en globalisering laat het individu dus wezenloos achter, enkel op zichzelf aangewezen.  De belangrijkste gemeenschappen waarin een individu zich kan terugvinden zijn: het gezin, de plaatselijke gemeenschap, de ruimere familie, het verenigingsleven, de regio, de natie, de beschaving, de wereldgemeenschap. Deze gemeenschappen zijn op te vatten als concentrische cirkels, met het gezin als binnenste en de wereldgemeenschap als buitenste cirkel. Omtrent de aard van de identiteit kunnen 3 zaken weerhouden worden:

  • Identiteit bestaat uit meerdere lagen: het individu maakt van meerdere gemeenschappen deel uit. Zolang de waardenstelsels van  deze gemeenschappen met elkaar verenigbaar zijn, beleeft men geen identiteitscrisis.
  • Naarmate zich men verder van het centrum van de concentrische cirkel begeeft, wordt de gemeenschap talrijker en bijgevolg de groepsverbondenheid zwakker.
  • Aan sommige gemeenschappen is politieke macht toegekend, ze manifesteren zich als staatkundige entiteiten

Staat en identiteit Opvallend is dat de gemeenschappen die zo bepalend zijn voor de perceptie van de identiteit op organische wijze ontstaan zijn, dit wil zeggen: hun samenstelling zowel als hun functioneren is niet het gevolg van een bewuste ingreep van de mens. Van sommigen kan men zelf nog het lidmaatschap kiezen (zoals het verenigingsleven of de plaatselijke gemeenschap), van anderen dan weer niet (zoals de familie, de regio, de natie). Van oudsher vormen deze gemeenschappen het raamwerk waarbinnen mensen zich organiseren. Aan een bepaalde groep wordt politieke macht toegekend: de gemeenschap kan normen en sancties opleggen aan individuele leden ervan met het oog op het collectieve welzijn. In primitieve maatschappijen is die politieke referentiegroep de familie: het stamverband. Naarmate door de arbeidsverdeling de maatschappij complexer wordt en er dus meer gemeenschappen ontstaan, wordt er op verschillende niveaus politieke macht uitgeoefend. Ook die uitoefening van politieke macht ontsnapt uiteraard niet aan de oplopende complexiteit van de samenleving zodat staatsapparaten ontstaan die hun in de gemeenschap verankerd organicisme inruilen voor een interne rationaliteit. Aldus kunnen de leiders van het staatsapparaat in conflict komen met de gemeenschap die zij beweren te besturen. Dit conflict is zowat permanent  in de verhouding tussen de staat en de vrije markt, het organisch gegroeide economische systeem. En zo kunnen we komen tot een ruwschets van onze hedendaagse maatschappij: op 4 niveaus wordt politieke macht uitgeoefend, te weten het lokale (de gemeente), het regionale, het nationale (België en Nederland) en het beschavingsniveau (Europa). Parallel aan de toenemende complexiteit van de samenleving breidt de staatsmacht zich almaar uit. De staat, met zijn massieve ambtenarenapparaten, heeft zelfs de neiging doelstellingen voor zichzelf uit te vinden (4) . Hij dringt wetten en normen op om zijn eigen machtsapparaat te kunnen uitbreiden en niet om aan bepaalde noden in de volksgemeenschap te kunnen voldoen. Men kan dus niet langer volstaan met de vaststelling dat de staat in een ver verleden uit een volksgemeenschap is voortgekomen. Integendeel dient men de staat op rationele grondvesten te omschrijven. De legitimiteit van de staat De staat moet aan een drievoudige legitimiteit voldoen.

  1. De functionele legitimiteit

De Amerikaanse libertarische filosoof Robert Nozick (5) legde uit waarom er überhaupt een staat nodig is en we niet kunnen volstaan met anarchistische gemeenschappen. Een maatschappij zonder staatsgezag kan slechts functioneren indien ieder lid ervan zich aan een zekere “natuurlijke” moraliteit houdt, en dat is volgens Nozick, die daarmee dicht in de buurt komt van Hobbes, een onmogelijke zaak. De leden van een gemeenschap moeten zich verdedigen tegen het agressieve en destructieve gedrag van perfide individuen en daartoe ontstaan “mutual protective agencies”. Dit zijn gemilitariseerde groepen die de interne veiligheid van de gehele groep trachten te verzekeren. Door het marktmechanisme zal 1 zulk een “agency” dominant worden en aldus, bij instemming van het volk, het geweldmonopolie verkrijgen. Aldus kan een staatsapparaat ontstaan ter wille van de veiligheid van zijn burgers. Door aldus de existentiële legitimiteit van de staat te rechtvaardigen, benadrukt Nozick het uitzonderlijke karakter van het overheidsoptreden: dit is immers steeds gebaseerd op het uitoefenen van dwang op de burgers. Deze dwang komt in de eerste plaats tot uiting in het heffen van belastingen. Bij een eventueel optreden van de staat, dient men zich eerst af te vragen of er wel een overheidsinterventie nodig is, of het, met andere woorden, wel gerechtvaardigd is het van de burgers afgedwongen belastinggeld aan een of andere zaak te besteden. Dit soort discussies is in Europa, in tegenstelling tot de Verenigde Staten, eerder zeldzaam.

  1. De democratische legitimiteit

De Griekse filosofie, het Christelijk Humanisme en de Verlichting die de basis vormen van onze Westerse beschaving, leverden het idee op van de democratie. De staat kan slechts rechtmatig dwang uitoefenen op zijn onderhorigen indien hij handelt met de instemming van de meerderheid der burgers die wordt verkregen via inspraakprocedures. Hieronder worden in de eerste plaats verkiezingen verstaan, daardoor ontstaat een representatief tussenschot tussen burgers en staat, met zijn eigen beroepspolitici. Dit systeem garandeert de aanwezigheid van  nodige bestuurstechnische vaardigheden bij de verkozen bestuurders van de staat. Anderzijds heeft de representatieve klasse de neiging zich tot een “particratische” kaste te ontwikkelen die, in plaats van het heil van de bevolking, enkel haar eigen belangen verdedigt. Daarom is een correctiemechanisme noodzakelijk: de burgers moeten via volksraadplegingen, waartoe zij zelf het initiatief nemen, beslissingen van gekozenen kunnen bijsturen of zelfs ongedaan maken. In Zwitserland (6)  en de Scandinavische landen zijn deze vormen van directe democratie een essentieel onderdeel van de politieke cultuur. De staat dient niet enkel met instemming van de meerderheid bestuurd te worden, hij moet ook nog bepaalde fundamentele rechten van de burgers respecteren. Deze rechten moeten daarom afdwingbaar zijn via een rechtbank, zoals nu min of meer het geval is met de rechten voortkomend uit de Europese Conventie ter bescherming van de rechten van de mens.

  1. De nationale legitimiteit

De staat moet de politieke emanatie zijn van een werkelijk levende volksgemeenschap. Deze vereiste hangt nauw samen met de voorgaande, immers het woord “democratie” omvat het begrip “demos”, dat staat voor “volk”. Slechts een gemeenschap die zich (op basis van een gemeenschappelijk identiteitsgevoelen) verbonden weet zal zich efficiënt weten te organiseren, slechts dan zal er voldoende “animus societatis” zijn. Een gebrek aan gevoelens van verbondenheid resulteert in een uitgesproken egocentrisme en verhindert de onderlinge solidariteit en sociale rechtvaardigheid. Indien de staat zich over een veelheid aan volkeren uitstrekt,  zal hij niet heersen over een gemeenschap, maar over een massa. Een “massacratie” treedt dan in de plaats van de democratie. De democratische instellingen blijven bestaan, maar worden van binnenuit uitgehold en zijn niet veel meer dan vervelende formaliteiten voor een politieke klasse die geen binding meer heeft met de bevolking omdat ze zichzelf niet meer kan legitimeren, ondanks de door haar met het oog op zelfbehoud geproduceerde staatsideologie. Uit de geschiedenis bleek duidelijk dat dergelijke “multiculturele” staten zoals Joegoslavië, Tsjecho-Slowakije  of het Oostenrijks-Hongaarse Rijk ten onder gaan van zodra een democratisch stelsel wordt ingevoerd. Het voorbeeld van België leert dat het niet vervullen van de nationale legitimiteit van de staat uiteindelijk ook de democratische en zelfs de functionele legitimiteit ervan kan aantasten. Zo kan België slechts blijven bestaan zolang de democratische (Vlaamse) meerderheid, via allerlei ingenieuze grondwettelijke constructies, buiten werking wordt geplaatst. Het voortbestaan van het Belgische staatsapparaat steunt niet op zijn democratische legitimiteit bij de bevolking, maar op een subtiel samenstel van allerlei politieke, taalkundige en levensbeschouwelijke evenwichten. Daardoor werd zowel de financiële toestand als de slagkracht van het koninkrijk aangetast, zodanig zelfs dat, in de nasleep van de Dutrouxaffaire, vele burgers zelfs hun eigen veiligheid niet meer gewaarborgd weten door de Belgische staat. Daardoor komt zelfs de primaire bestaansreden van deze staat in het gedrang. Zoals gezegd bestaat identiteit uit vele lagen, een staat die beweert de uitdrukking te zijn van een volksgemeenschap, is dan ook per definitie ingericht volgens de principes van het federalisme. Wie federalisme zegt, zegt evenwel ook subsidiariteit: aangezien de groepsverbondenheden op “lagere” niveaus sterker zijn dan op “hogere”, hebben in principe de lagere overheden meer bevoegdheden dan de hogere. Een staat die wel over een bepaalde bestaande gemeenschap heerst, maar teveel bevoegdheden uitoefent in verhouding tot de op dat niveau bestaande gemeenschapsgevoelens, heeft geen voldoende draagvlak en dreigt onder zijn eigen gewicht te bezwijken. Met name in de Europese Unie dreigt dit probleem zich te stellen: de supranationale instellingen eigenen zich meer en meer bevoegdheden toe zonder dit te verantwoorden vanuit het subsidiariteitsbeginsel. Toch dient hier onmiddellijk aan toegevoegd te worden dat de efficiëntie van het staatsoptreden en het realiseren van bepaalde schaaleffecten een afwijking van de strikte toepassing van het subsidiariteitsbeginsel kunnen toestaan. Daarnaast stelt zich binnen de Unie ook het probleem van het democratisch deficit: de democratische inspraak- en controleregelen zijn beter uitgebouwd op nationaal en regionaal dan op Europees niveau. Met name op het gebied van de scheiding van de wetgevende en uitvoerende macht stelt zich in Europa een zwaar probleem: de nationale regeringen hebben wetgevende macht op supranationaal niveau Besluiten De burger zoekt temidden afkalvende normenstelsels en een alsmaar kleiner wordende wereld naar tegengewichten en vindt die in de lokale, regionale en nationale verbondenheid met anderen.  Het uitoefenen van politieke macht dient dan ook noodzakelijkerwijs volgens deze patronen te verlopen. De machtsapparaten dienen zowel in hun bereik als in hun omvang te beantwoorden aan organisch gegroeide identiteiten. Daarbij moet vermeden worden dat deze machtsapparaten hun eigen dynamiek ontwikkelen en zich zo ontvoogden van de volksgemeenschap. Directe democratie, strikte controle op de overheidsfinanciën en individueel afdwingbare grondrechten dienen daarom de basisgedachten te zijn van het constitutioneel bestel. De hoogste macht is in handen van rechters die toezien op de rechten van de individuele burgers. In geen geval betekent dit een zwakke staat: integendeel, juist omdat zijn beslissingen de hoogst mogelijke democratische legitimiteit hebben, dienen ze onverkort, onvoorwaardelijk en desnoods zelfs meedogenloos te worden uitgevoerd. In de volgende hoofdstukken trachten we deze besluiten om te zetten in een confederatie die bestaat uit 15 deelstaten en waar het staatsoptreden strikt gereglementeerd en gecontroleerd wordt teneinde de burgers maximale ontplooiingskansen te bieden: de Staten XV. DE  STATEN XV De Staten XV is een confederatie van 15 deelstaten, van noord naar zuid zijn dat:

  1. West-Saksen (Groningen, Drenthe en de Noordoostpolder)
  2. Friesland
  3. Holland (Noord- en Zuid-Holland, Utrecht en Zeeland minus Zeeuws-Vlaanderen)
  4. Gelderland (Gelderland, Flevoland en Overijssel)
  5. Stadstaat Amsterdam (de stadsagglomeratie)
  6. Vrijhaven Rotterdam (de stadsagglomeratie en de haven)
  7. Limburg (de beide provincies)
  8. Brabant (Noord-Brabant, de provincie Antwerpen en Vlaams-Brabant)
  9. Metropool Antwerpen (de stadsagglomeratie en de haven)
  10. Vlaanderen (Oost- West- en Zeeuws-Vlaanderen)
  11. Brussel District van Brabant (de 19 gemeenten)
  12. Condroz (Waals-Brabant, Namen en het westelijk deel van de provincie Luik)
  13. Vrijstad Luik (de stadsagglomeratie)
  14. Henegouwen
  15. Luxemburg (het groothertogdom, de provincie +het oostelijk deel van de provincie Luik)

Deze indeling gaat uit van de Benelux in zijn huidige verschijningsvorm en dus werden de 5 zuidelijke, Franstalige gewesten mee opgenomen. Het is echter de vraag of zij wel thuishoren in deze Heelnederlandse constructie. Zo zal de opname van Franstalige deelstaten de Staten XV een tweetalig karakter geven, wat gevoelig kan liggen bij de Vlaamse Beweging. Bovendien zijn er onbetwistbaar grote culturele verschillen ontstaan tussen het huidige Vlaanderen en het huidige Wallonië wat de wederzijdse verstandhouding niet ten goede is gekomen. Anderzijds hebben we een zekere gemeenschappelijke geschiedenis en zijn er door de eeuwen heen tussen de drie Benelux-staten banden gegroeid die  sterker zijn dan die met andere buurlanden. Een ingewikkelde kwestie, met een eenvoudige oplossing: vraag het de bevolking … Vooreerst moeten de Franstaligen natuurlijk zelf geïnteresseerd zijn in een opname bij de Staten XV. Het is niet ondenkbaar dat zij een soort romp-België of een onafhankelijk Wallonië wensen te vormen. Een dergelijke Franstalige staat zou dan mogelijk toenadering zoeken tot Frankrijk. Wellicht is men vooral in Henegouwen een “rattachistische” oplossing niet ongenegen, terwijl Luxemburg en Brussel, die altijd al hun eigenheid hebben gekoesterd, zich aangesproken zouden kunnen voelen door de hoge mate van zelfstandigheid die ze in de Staten XV zullen genieten. Indien dus bepaalde gebieden die buiten de oorspronkelijke staatsvorming van de Heelnederlandse confederatie bleven achteraf willen toetreden, dient hun aanvraag bij referendum voorgelegd te worden aan iedere burger van de Unie. Daartoe wordt een procedure in de Grondwet opgenomen. Eenieder moet dus voor zichzelf uitmaken of er voldoende “animus societatis” aanwezig is bij beide partijen. Het is de burger die dus het precieze “getal” van de confederatie zal bepalen. Wellicht zal dit tussen de X en de XV schommelen… In afwachting van de uitkomst van het referendum wordt hier verder uitgegaan van 15 staten. De indeling van de deelstaten poogt min of meer bestaande regionale volksverbondenheden te volgen. Daarbij worden de huidige artificiële landsgrenzen tussen Vlaanderen en Nederland enerzijds en tussen de provincie en het Groothertogdom Luxemburg anderzijds volledig uitgewist. De deelstaten Vlaanderen, Brabant, Limburg en Luxemburg zullen opnieuw hun traditionele, organisch gegroeide grenzen krijgen. De 5 stadstaten, die op gelijke voet staan met de overige deelstaten, kunnen zich tot kosmopolitische groeiregio’s ontwikkelen en aldus aanknopen met hun historische traditie. De indeling in 15 staten vermijdt de overheersing door 1 bepaalde deelstaat of een voortdurende  concurrentie tussen bepaalde deelstaten die de unie k an doen springen. In een twee- of drieledig (con)federalisme is dit risico aanzienlijk groter. De Staten XV hebben bewust dus geen zwaartepunt. Holland is door zijn stedelijke concentratie (de Randstad) een belangrijke deelstaat, maar Amsterdam en Rotterdam worden als afzonderlijke stadstaat “geamputeerd”. Niet om Holland te kortwieken, wel om beide steden alle kansen te geven om hun eigenheid te ontwikkelen. Brabant is het geografische hartland van de Staten XV terwijl Vlaanderen, met zijn 2 havens en de legendarische ondernemingsijver van de Kortrijkse regio, een bijzonder economisch dynamisme zal cultiveren. Luxemburg bouwt zichzelf met  Ardense koppigheid uit tot het financiële centrum van de confederatie. West-Saksen wint gas terwijl Gelderland als “groene long” aanzienlijke recreatieve mogelijkheden bezit. De groeiregio Condroz kan als voorbeeld dienen voor de noodzakelijke reconversie van Henegouwen. Limburg en Friesland weten zich eindelijk ten volle in hun eigenheid bevestigd. Als hoofdstad van de Staten XV komen zowel Amsterdam, Rotterdam, ’s Gravenhage, Brussel DB als Antwerpen in aanmerking. Er kan evenwel, naar het voorbeeld van de Weimarrepubliek, ook geopteerd worden voor een provinciestad. In dat geval springt, wegens zijn centrale ligging, Breda in het oog. Naar analogie van “Washington District of Columbia” draagt de deelstaat Brussel het epitheton “District van Brabant”. Aldus komt de verbondenheid met de omringende deelstaat Brabant sterk tot uiting. Of het nu toetreedt tot de confederatie of niet, Brussel DB zal hoedanook  verplicht zijn om over allerlei aangelegenheden akkoorden te sluiten met Brabant. Daaraan gekoppeld dient Brussel DB bepaalde faciliteiten te verlenen aan de Brusselse Vlamingen. Het zijn verder de deelstatelijke overheden die eenzijdig en onafhankelijk beslissen wat er gebeurt met de faciliteiten die de Franstaligen vandaag genieten in bepaalde Nederlandstalige gemeenten. Er is in de grond geen reden om de zogenaamde Oostkantons in de Staten XV op te nemen. Het was immers het Belgische imperialisme en niet de volkswil die hen in  de huidige Benelux  bracht. De Staten XV zullen zich inspannen om de inwoners van de Oostkantons, als zij dit willen,  opnieuw bij hun natie en hun regio te laten aansluiten: Duitsland en het Rijnland. De Staten XV zijn geïncorporeerd in de Europese Unie. Zo is het Europees Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens toepasbaar in onze rechtsorde, maken we deel uit van de Eurozone en kunnen de Europese instanties bepaalde machten uitoefenen. De Staten XV, met zijn 26 miljoen inwoners en zijn lidmaatschap van de G7, is een rijke en prestigieuze  lidstaat van de EU. Maar aangezien de confederatie zelf slechts de afgeleide is van haar deelstaten, zal zij in haar Europese politiek waken over de rechten en belangen van de kleine lidstaten en van de individuele burgers. Zij zal erop toezien dat de Unie niet verzandt in een jacobijnse, centralistische bureaucratie, maar zal er integendeel naar streven de principes van directe democratie en het strikte financiële toezicht op de overheid ook in de EU volop ingang te laten vinden. De prioritaire taak van de EU is de opname van de staten die zich  vanaf 1989 ontdeden van de communistische en imperialistische dictaturen. De Staten XV heeft de opdracht als lidstaat dit proces binnen de Europese instanties te promoten. Aangezien de Oost-Europese kandidaat-leden veelal kleine staten zijn, te vergelijken met regio’s, kunnen ook de individuele deelstaten van de Staten XV hier een belangrijke rol spelen. Zo kan iedere deelstaat als individuele “gids” optreden voor een bepaald Oost-Europees land. Met behulp van de verdragsluitende bevoegdheden kunnen samenwerkingakkoorden en uitwisselingsprojecten  worden opgezet die blijvende vriendschapsbanden zullen opleveren waarvan beide partners de vruchten zullen plukken. Aldus vervullen de Staten XV hun bijdrage aan Europa: zij zijn een institutioneel rolmodel voor de Europese instellingen en zij investeren in de opname van de nieuwe leden. GRONDWETTELIJKE  BEGINSELEN Algemene structuur De Grondwet van de Staten XV zal 4 hoofdstukken bevatten:

  • De rechten en vrijheden van de burger
  • De bevoegdheidsverdelende regelen
  • De machten
  • Wijzigings-, toetredings- en uittredingsbepalingen

Naar Amerikaans voorbeeld dient de Grondwet zeer beknopt te worden gehouden en in een voor ieder burger toegankelijke taal te zijn opgesteld. Het basisdocument van de statenbond moet zo uitgroeien tot een symbool en een element van nationale trots. Rechten en vrijheden Indien de rechtsbescherming van de burger het hoogste goed is in onze staatkundige filosofie, is het logisch dat de Grondwet begint met een opsomming van alle rechten en vrijheden die ieder burger van de Staten XV geniet. Voor de inhoud hiervan kunnen we verwijzen naar het Europees verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), dat zelf de vrucht is van het Europese humanistische denken, het fundament van onze rechtsorde. De Grondwet verwijst zelf naar de verdragteksten en somt tevens de belangrijkste principes ervan op, zodat de burger zich een duidelijk beeld kan vormen van zijn basisrechten. Daartoe behoren zeker de bescherming van de persoonlijke vrijheid, de vrijheid van meningsuiting en vereniging, het eigendomsrecht en de naleving door de overheid van haar eigen normen. Daarnaast heeft de Grondwet ook oog voor het inspraakrecht van de burger. Zo moet in principe iedere beslissing van ieder beraadslagend overheidsorgaan aan een volksraadpleging onderworpen kunnen worden. Het initiatief daartoe ligt in handen van de burgers. Bevoegdheidsverdeling Het zwaartepunt van de Staten XV ligt bij de deelstaten: zij houden in principe alle bevoegdheden. Dit impliceert dat de bevoegdheden van de Unie een uitdrukkelijke wettelijke grondslag dienen te hebben evenals het feit dat de restbevoegdheden aan de deelstaten  toekomen. De Grondwet kent 3 soorten bevoegdheden toe aan de Unie

  • De toegewezen bevoegdheden: het gaat hier om de uitdrukkelijk in de Grondwet opgesomde overheidstaken die enkel en alleen aan de Unie toekomen. De voornaamste hiervan  zijn  het buitenlands beleid, de landsverdediging, het migratie- en asielbeleid, bepaalde privaatrechtelijke aangelegenheden en het algemene Nederlandse taal- en cultuurbeleid.
  • De open bevoegdheden: dit zijn bewust vaag omschreven bevoegdheden waarvan de draagwijdte (uiteindelijk) door de rechtspraak, die ze dient te interpreteren, zal worden bepaald. Het gaat hierbij om zaken zoals de interne markt of mobiliteitsvraagstukken: technische materies die best door de Unie geregeld worden omwille van de beheersefficiëntie of omwille van bepaalde schaaleffecten. Aangezien het optreden daarvan afhankelijk is van economische evoluties, dienen deze bevoegdheden op flexibele wijze geregeld te worden. Het zal dus de rechter zijn die zal oordelen of het, in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is dat de Unie zeggenschap verwerft over  bepaalde beleidsaspecten. Het Hooggerechtshof dient evenwel bij het uittekenen van de confederale macht, terughoudend te werk te gaan. Bovendien worden veel van deze materies reeds beheerst door het EU-recht en hebben de Europese instanties aanzienlijke prerogatieven ter zake.
  • Bevoegdheden ter bede: deelstatelijke wetgevers kunnen de Unie verzoeken bepaalde van hun bevoegdheden over te nemen of de uitvoering ervan te verzekeren. Een dergelijke bevoegdheidsoverdracht dient door de deelstatelijke en de confederale wetgevers, het Hooggerechtshof en, in geval een referendum werd afgedwongen, door de burgers te worden goedgekeurd. De afgestane bevoegdheden kunnen op ieder moment weer door de deelstaat worden ingevorderd. In de Staten XV kan aldus sprake zijn van een asymmetrisch confederalisme, waarbij de ene deelstaat meer bevoegdheden heeft dan de andere. Door bevoegdheden naar een hoger beleidsniveau over te dragen, kunnen bepaalde schaaleffecten en synergieën optreden. Daar staat wel een ingewikkelder staatsstructuur tegenover, het is aan de wetgevers om deze zaken tegen elkaar af te wegen. Deze techniek maakt het ook mogelijk tot een hechtere unie te komen tussen de Staten XV zonder daarom de grondwet aan te passen.

De deelstaten genieten een maximale constitutieve autonomie: zij beslissen dus vrijelijk op welke manier zij hun bevoegdheden uitoefenen. Dit houdt in dat zij onder meer beslissen over hun staatsvorm (republiek, koninkrijk, groothertogdom,…), over de inrichting van hun wetgevende en rechtsprekende organen, over het kiesstelsel, over de indeling van hun grondgebied en over de lokale besturen. De autonomie van de deelstaten wordt enkel beperkt door de in de Grondwet opgesomde rechten en vrijheden dewelke steeds in acht dienen te worden genomen. Uiteraard mogen de deelstaten ook geen afbreuk doen aan de bevoegdheden van de Unie. De confederale Grondwet verplicht de deelstaten ook elk hun eigen grondwet op te stellen. De confederatie is niet gemachtigd belastingen te heffen, maar ontvangt jaarlijks dotaties van de deelstaten. Iedere deelstaat levert een bijdrage “naar godvrucht en vermogen” volgens een aan de hand van objectieve economische factoren berekende verdeelsleutel. De machten   De rechterlijke macht Het is alweer geen toeval dat de rechterlijke macht als eerste in de opsomming naar voren komt: deze instantie, in de eerste plaats belast met het toezicht op de overheid, zal wellicht tot de machtigste confederale instelling uitgroeien. Op confederaal vlak zijn er 2 rechtbanken: het Hooggerechtshof en het Rekenhof

  • Het Hooggerechtshof ziet toe op de naleving van de Grondwet door de uitvoerende en wetgevende instanties van de Unie zowel als van de deelstaten. Daarnaast fungeert het Hof als cassatierechter voor de arresten van de deelstatelijke rechtbanken in zoverre deze vragen van confederaal recht oproepen. Ten slotte verleent het Hof zijn verplicht advies over voorstellen van wetten en uitvoeringsbesluiten uitgaande van confederale instanties.
  • Het Rekenhof is de rechtbank die toeziet op de financiële integriteit van de overheid. Daartoe heeft het uitgebreide bevoegdheden. Het (auditoraat van) het Rekenhof treedt op als revisor van de begrotingen van de overheid. Geen enkel betuur, van de confederale regering tot het gemeentebestuur, kan belastingen innen alvorens de begroting goedgekeurd werd. Met het oog daarop somt de Grondwet enkele richtlijnen op die het Hof zelf verder kan verfijnen. Daarop aansluitend vernietigt het Hof iedere overheidsbeslissing die een niet te verantwoorden weerslag heeft op de goedgekeurde begroting. Gezien dit alles er is ter bescherming van de belastingbetaler, heeft ieder burger een rechtstreeks vorderingsrecht bij het Rekenhof, dat ook optreedt als cassatierechter in fiscale zaken. Tot slot fungeert het Rekenhof als strafrechtbank voor openbare gezagsdragers die zich schuldig maakten aan misbruik van overheidsfondsen. Het is het auditoraat bij het Rekenhof dat instaat voor de opsporing en vervolging van corrupte en belastinggeld verkwistende politici en ambtenaren. Een veroordeling door het Rekenhof leidt automatisch tot de levenslange ontzetting uit alle politieke rechten. Een niet-rechterlijke, maar uiterst belangrijke taak van het Rekenhof is het vastleggen van de verdeelsleutel volgens dewelke de financiële bijdragen van de deelstaten aan de confederatie berekend worden.

Zoals reeds vermeld zijn het verder de deelstaten die, op grond van hun constitutieve autonomie, bepalen hoe het rechterlijk apparaat er uitziet en hoe het samengesteld wordt. De wetgevende macht De confederale wetgevende macht bestaat uit 2 organen: de Staten-Generaal en de Landsvergadering. Afhankelijk van het bevolkingsaantal en volgens de plaatselijke kieswetgeving  worden in iedere deelstaat een aantal afgevaardigden gekozen voor de Staten-Generaal evenals een vast aantal afgevaardigden voor de Landsvergadering. Aldus vervult de Staten-Generaal de rol van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden of de Duitse Bundestag, terwijl de Landsvergadering te vergelijken valt met de Amerikaanse Senaat of de Duitse Bundesrat. Beide organen hebben dezelfde bevoegdheden, te weten het uitvaardigen van de confederale wetten, de controle op de confederale regering, het goedkeuren van de confederale begroting en het instemmen met verdragen Confederale wetten staan op hetzelfde hiërarchische niveau als deelstatelijke wetten, bevoegdheidsconflicten zijn grondwettelijke betwistingen waar het Hooggerechtshof uitspraak over doet.   De uitvoerende macht De Staatspensionaris is het rechtstreeks verkozen staatshoofd van de Staten XV. Hij is belast met het uitvoeren van de confederale wetten, heeft de leiding over de buitenlandse betrekkingen en is opperbevelhebber van het leger. De Staatspensionaris benoemt de leden van de confederale Regering evenals de topambtenaren. De Regering is verantwoording verschuldigd aan de Staten-Generaal en de Landsvergadering, maar ministers kunnen slechts door de Staatspensionaris ontslagen worden. Aldus wordt voorkomen dat het gehele staatsapparaat in handen komt van een “particratie”. Alweer naar Amerikaans voorbeeld wordt de macht gedeeld enerzijds door een rechtstreeks verkozen orgaan (de Staatspensionaris en zijn ministers) en anderzijds door volksvertegenwoordigende instanties (Staten-Generaal en Landsvergadering). En hoewel beide organen duidelijk van elkaar kunnen onderscheiden worden, zijn ze toch op elkaar aangewezen: de Staatspensionaris voert de wetten uit die door de wetgevende macht worden opgesteld. De begroting wordt door de uitvoerende macht opgesteld, maar dient goedgekeurd te worden door de wetgevende. Om onstabiele “cohabitation”-toestanden zoveel mogelijk te voorkomen, worden Staatspensionaris, Staten-Generaal en Landsvergadering op hetzelfde tijdstip en voor eenzelfde periode verkozen, namelijk 5 jaar. In principe kunnen geen vervroegde verkiezingen worden uitgeschreven, in de Staten XV is dus sprake van legislatuurparlementen.   Wijzigings-, toetredings-  en uittredingsbepalingen De wijziging van de Grondwet verloopt in 2 fasen: eerst moet de wijziging door beide wetgevende kamers met een 2/3 meerderheid (in elke kamer) goedgekeurd worden en vervolgens wordt een referendum uitgeschreven. Pas als een meerderheid van de uitgebrachte stemmen het voorstel tot wijziging goedkeurt, is de Grondwet gewijzigd. Indien een staat wil toetreden tot de Unie, dient de bevolking in een referendum eerst de toestemming te geven de toetredingsonderhandeligen te beginnen. Indien de onderhandelingen, die onder leiding van de Staatspensionaris worden gevoerd, een akkoord opleveren, verlenen het Hooggerechtshof en het Rekenhof hun advies over de juridische en financiële implicaties daarvan. Indien het advies positief is, kan met een 2/3 meerderheid in beide wetgevende kamers beslist worden de kandidaat tot de confederatie toe te laten. Indien een negatief advies werd verleend (wegens juridische of financiële tekortkomingen), is bijkomend een referendum nodig dat een gewone meerderheid dient op te leveren om de toetreding goed te keuren. Uittreding uit de Staten XV geschiedt volgens de geijkte regelen van het internationaal recht (7). BESLUIT We besluiten met een herhaling van de in de inleiding opgesomde basisprincipes. De eenheid der Nederlanden wordt binnen de Europese Unie verwezenlijkt niet enkel door de loutere samenvoeging van het huidige België en het huidige Nederland, maar ook door de indeling van de 15 staten. De vandaag nog bestaande artificiële landsgrenzen spelen in de afbakening tussen de deelstaten geen enkele rol en verdampen aldus volledig. En de unie heeft geen echt centrum, zodat geen deelstaat zich dominant kan opstellen. De Staten XV zijn een statenbond, een confederatie, waar de nadruk op de deelstaten ligt. Het principe van het federalisme komt het sterkst tot uiting in het bicamerale parlementaire stelsel, in de hiërarchische gelijkheid tussen confederale en deelstatelijke wetten  en in de sterke constitutieve autonomie die de staten genieten. De door de directe democratie beheerste besluitvorming en de machtige confederale rechtbanken, die nauw toezien op de overheid, getuigen van het grote respect dat de Staten XV voor haar burgers betoont. Voetnoten ————–

  1. Zie hiervoor: Fernand Braudel, Beschaving, economie en kapitalisme; deel III: de tijd van de wereld. Uitgevrij Contact, Amsterdam 1990,  p.165-260.
  2. Zie hiervoor Freddy Mortier en Koen Raes, Een kweste van behoren. Stromingen in de hedendaagse ethiek. Mys en Breesch Uitgevers, Gent 1996,  p. 26-37.
  3. Zie hiervoor Luc Pauwels, Ons behoud als volk in de 21ste eeuw, in Verworteling, verankering. Delta Stichting 1999.
  4. Zie hiervoor W. Niskanen, Bureaucracy and representative government. Aldine, Chicago 1971.
  5. Zie hiervoor Freddy Mortier en Koen Raes (2) Een kwestie van behoren, p.166-179.
  6. Zie hiervoor Paul Beliën, Een Zwitsers systeem voor Vlaanderen, Secessie nr.1, p. 9-11.
  7. Zie hiervoor Marc Cogen, Handboek Internationaal Recht. Mys en Breesch Uitgevers, Gent 1998, p.71-78.

 

Een plan N voor Vlaanderen (en Brussel)

Matthias E. Storme
Een van de chantagemiddelen die de voorbije maanden regelmatig werd aangevoerd tegen voorstanders van Vlaamse onafhankelijkheid bestaat daarin, dat een Vlaanderen dat zich zou afscheuren van België daardoor automatisch buiten de Europese Unie zou liggen en, mocht het daarvan deel willen uitmaken en de voordelen willen genieten, zijn toetreding als lidstaat zou moeten aanvragen, waarbij de Franstaligen er wel voor zouden zorgen dat er draconische toetredingseisen zouden worden gesteld.
Op de eerste plaats gaat deze chantage eraan voorbij dat die stelling impliceert dat in zo’n geval de rest van België wel automatisch lid zou blijven van de Unie, als zijnde de lidstaat België. Waarbij men nogal licht vergeet dat wie België wil voortzetten, ook gehouden is tot de gehele Belgische staatsschuld. Ook wordt daarbij door sommige juristen een zeer specieus onderscheid gemaakt tussen een afscheiding en een opheffing van het land. Op deze vragen wil ik hier vooralsnog niet ingaan, omdat er hoe dan ook voor Vlaanderen nog een erg interessante mogelijkheid bestaat om de chantage te beantwoorden, een Plan “N”.
 
De grondslag voor dat plan “N” is te vinden in art. 355 lid 3 van het VWEU (Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), gekoppeld aan het zgn. Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden. Dat Statuut is een Wet van 28 oktober 1954 van het Koninkrijk der Nederlanden later meermaals gewijzigd (1), waarnaar ook verwezen wordt in de Europese verdragen.
 
Dat Statuut is bij ons vrij onbekend en daardoor allicht onbemind, maar houdt kort gezegd het volgende in. Het regelt de relaties tussen “Nederland” (in het enkelvoud), Aruba, Curaçao en Sint-Maarten als vier landen die overeengekomen zijn om een gemeenschappelijk buitenlands beleid en een gezamenlijke defensie te voeren, een gezamenlijke Nederlandse nationaliteit te verschaffen aan de burgers van die landen en gezamenlijk een koninkrijk te vormen onder het huis van Oranje. Andere onderwerpen kunnen in gemeen overleg tot aangelegenheden van het Koninkrijk worden verklaard (art. 3 van het Statuut). Met andere woorden, dit Koninkrijk vormt een confederatie tussen Nederland en drie kleinere landen.
 
Vlaanderen zou dan ook kunnen toetreden als een verder land bij dit Statuut van het Koninkrijk der Nederlanden met behoud van alle bevoegdheden behalve de zonet genoemde. Het leger zou moeten samengesmolten worden en de buitenlandse betrekkingen overgedragen aan de Koninkrijksinstellingen. En we zouden kunnen genieten van onze natuurlijke nationaliteit, het Nederlanderschap.
 
Een dergelijke toetreding zou meteen ook het Europa-chantage-probleem oplossen. Vlaanderen zou als Europees deel van het Koninkrijk zonder onderbreking deel blijven van de Europese Unie. Het statuut van Vlaanderen zou daarbij ook niet terugvallen op dat van Aruba, Curaçao en Sint-Maarten. Die drie landen zijn geassocieerde leden van de Europese Unie als “landen en gebieden overzee” (LGO)(2) -waardoor zij deel uitmaken van de Gemeenschappelijke Markt maar niet in alle opzichten onder het gemeenschapsrecht vallen. Vermits Vlaanderen evenwel een Europees gebied is en geen gebied overzee (LGO), zou hierop art. 355 lid 3 van het VWEU van toepassing zijn. Dat bepaalt immers dat “De bepalingen van de Verdragen zijn van toepassing op de Europese grondgebieden welker buitenlandse betrekkingen door een lidstaat worden behartigd.”
Ook voor Nederland is dit zeker aantrekkelijk: men krijgt er 6 miljoen Nederlanders bij en zowat de helft van zijn economisch potentieel; het Koninkrijk komt daarmee terug in de buurt van de grote landen waarmee het toch graag op wat meer gelijke voet zou komen. Waar een meerderheid van Nederlanders zelfs een volledige een Unie met Vlaanderen niet uitsluit, zal deze tussenoplossing in het Noorden zeker voldoende steun vinden.
Bovendien zou dit plan “N” niet enkel voor Vlaanderen aantrekkelijk zijn, maar ook voor Brussel. Brussel zou als een apart land kunnen toetreden tot het Koninkrijk zonder meer bevoegdhende over te dragen dan de genoemden, zonder deel van Vlaanderen te worden, en met behoud van een aparte inspraak in het Koninkrijk. Toetreding tot het Koninkrijk vereist al evenmin dat Brussel officieel ééntalig Nederlands zou moeten worden; het Frans zou mede officiële taal blijven.
Overigens zou het ook voor Wallonië geen slecht idee zijn om over de toetreding tot het Koninkrijk der Nederlanden na te denken, als een apart land natuurlijk.
Is dit voor Vlaanderen het ideale scenario ? Niet op alle vlakken, bv. omdat dit ons geen apart stemrecht in Europa zou opleveren, en daarvoor inderdaad een herziening van de Verdagen zou moeten worden onderhandeld. Maar het maakt ons wel grotendeels immuun voor de hierboven aangegeven vorm van francobelgische chantage.
 
 
 
 

Werkdocument Hereniging

Sven Vanwing

Inhoud
1. Wie zijn wij
2. Wat betekent Leo Belgicus
3. De zes uitgangspunten van onze werkgroep
4. De splitsing van België
5. Welke toekomst voor Vlaanderen in een post-België-tijdperk
6. Waarom een hereniging der Nederlanden
7. De voordelen van een hereniging der Nederlanden
8. Hoe de hereniging te realiseren
9. Toenadering tussen Nederland en Vlaanderen
10. Naam en algemene gegevens
11. Staatshoofd
12. Regering
13. Provincies en regio’s
14. Gemeenten, districten en eilanden
15. Bestuur
16. Verkiezingen
17. Volksraadplegingen
18. Officiële feestdagen
19. Onderwijsvakanties
20. Defensie
21. Sport en recreatie
22. Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en leefomgeving
23. Verkeer en waterstaat
24. Media
25. Veiligheid, justitie, asiel, migratie en integratie
26. Sociaal
27. Taalbeleid
28. Onderwijs, cultuur en wetenschap
29. Klimaat, energie en dierenwelzijn

 

1. Wie zijn wij
De werkgroep Leo Belgicus is een beweging van democratisch ingestelde burgers uit Nederland en Vlaande-
ren, die ijveren voor een democratische integratie en hereniging van Nederland en Vlaanderen indien
België ophoudt te bestaan.

2. Wat betekent Leo Belgicus
Leo Belgicus is Latijn voor de Nederlandse Leeuw.
Het gaat om een cartografische conventie waarbij de Nederlanden in de vorm van een leeuw werden
afgebeeld. Voor het eerst werd dit getekend in 1583 door de Oostenrijkse cartograaf Michael Aitsinger
(1530-1535? – 1598) en daarna is het thema vele malen gekopieerd.
De beroemdste Leo Belgicus is wel die van Claes Jansz Visscher uit 1609. Die gaf ook een leeuwenkaart uit
van het graafschap Holland.
De leeuw was een veel gebruikt heraldisch dier in de Nederlanden: Brabant, Vlaanderen, Zeeland, Holland,
Gelre, Henegouwen, Limburg en Luxemburg hadden er één in het blazoen. Ook de Unie van de Republiek
der Zeven Verenigde Nederlanden koos een leeuw, "Generaliteitsleeuw" geheten als wapendier. Nu siert
een Nederlandse Leeuw een Ridderorde en is in het Rijkswapen van Nederland, België èn Luxemburg een
leeuw afgebeeld.

3. De zes uitgangspunten van onze werkgroep
 Democratie, d.w.z. het besturen van de staat door zijn burgers, behoort tot het wezen van de
Nederlandse identiteit. Het is de hoogste en enig wenselijke staatsvorm, én het is onze drijfveer om naar
een integratie van Vlaanderen en Nederland te streven.
 De breuk van 1830 was een dramatische vergissing die de inwoners van de Zuidelijke Nederlanden tot
een catastrofale achteruitgang veroordeelde.
Een democratisch en doortastend bestuur wordt in de context van de Belgische staat, wegens het anti-
Nederlandse wezen van deze staat, onmogelijk gemaakt.
 De Nederlanden hebben naast een gemeenschappelijke geschiedenis en cultureel erfgoed, ook een
gelijkaardige bestuurscultuur en mentaliteit die een doortastende natie mogelijk maken.
 Alle stappen in de richting van samenwerking en integratie van Vlaanderen en Nederland zijn welkom,
maar samenwerkingsvormen die gebaseerd zijn op de bestaande staten Nederland en België, zijn
gedoemd tot machteloosheid. Vlaanderen en Nederland moeten rechtstreeks met elkaar kunnen onder-
handelen over een geïntegreerde staatsstructuur.
 Een confederale staatsstructuur tussen Nederland en Vlaanderen is de beste vorm om de integratie van
Nederland en Vlaanderen te vergemakkelijken na de bijna 200 jaar lange scheiding. Op termijn moet dit
leiden tot een stabiele gedecentraliseerde eenheidsstaat, namelijk De Nederlanden.
 Er worden vriendschappelijke en economische samenwerkingsverbanden behouden met de niet-
Nederlandstalige gewesten van de Lage Landen, met name Wallonië, Luxemburg en de Duitstalige

Gemeenschap van België. Indien gewenst mogen (delen van) Wallonië, Luxemburg en de Duitstalige
Gemeenschap van België toetreden tot De Nederlanden.

4. De splitsing van België
We worden om de oren geslagen met slechte ratings. Daar zorgen anderen voor, de nationale bank
inbegre-pen. Dat werk wordt dus door anderen voor ons gedaan, waarvoor dank. Waar verschillen tussen
Vlaanderen en de rest vermeld worden komt Vlaanderen er beter uit. Dus is het Vlaamse model,
geïnspireerd door Nederland en Denemarken de aangewezen weg, wetend dat het zuiden er niet van wil
weten zodat daar de gedachte kan groeien om de stekker er uit te halen.
Wat gebeurt er bij een splitsing van België? Dan is het ‘ zelfbeschikkingsrecht der volkeren’ van het interna-
tionaal recht van toepassing en dit conform Resolutie 1514 en Resolutie 2625 van de VN.
Wat is een volk?
Vooral taal bepaalt wat een volk is.
Als je naar de huidige Belgische grondwet kijkt, zal het zelfbeschikkingsrecht het deel van de grondwet
volgen over de (taal)gemeenschappen.
In België heb je dan drie volkeren, nl. Vlamingen (Nederlandstalig), Walen (Franstalig) en Duitstaligen, en op
de tweede plaats pas naar de administratieve gewesten om de grondgebieden van deze volkeren aan te
duiden.
Brussel
Volgens het internationaal recht bestaat er geen Brussels volk (er wordt geen rekening gehouden met
etnische minderheden) en Brussel bevindt zich op het grondgebied van Vlaanderen (enclaves zijn volgens
het internationaal recht verboden).
Conclusie: volkenrechtelijk zou Brussel bij een splitsing van België bij Vlaanderen worden ingedeeld.

5. Welke toekomst voor Vlaanderen in een post-België-tijdperk

Onafhankelijk Vlaanderen
Een kleine groep Vlaamsgezinden wil louter een onafhankelijk Vlaanderen.
Ofschoon wij geenszins twijfelen aan de mogelijkheden die Vlaanderen heeft om op eigen benen te staan,
vragen wij ons wel af of een onafhankelijkheid in een zich uitbreidende Europese Unie en een verdergaande
Europese integratie wel verstandig is.
De nationale staten verliezen immers steeds meer soevereiniteit aan de EU, waardoor de nieuwe Vlaamse
staat zwak komt te staan.
Ook is er in Vlaanderen geen meerderheid voor een onafhankelijk Vlaanderen omdat
– men vindt dat Vlaanderen dezelfde doelstellingen heeft als België, nl. het vernietigen van de regionale
identiteit en het proberen een kunstmatige identiteit te creëren bij haar bevolking
– men vindt dat Vlaanderen het enkel aan kan om voor een korte periode onafhankelijk te zijn.

Benelux-(con)federatie
Er gaan ook stemmen op in Nederland en in Vlaanderen voor het vormen van een Benelux-(con)federatie.

Conform het Benelux-verdrag kunnen de Belgische deelstaten zelf bepalen hoe sterk hun samenwerking is
met Nederland en Luxemburg. Artikel 350 van het verdrag van de werking van de Europese Unie (VWEU)
meldt dat de Benelux wordt gezien als het voorbeeld voor de Europese Unie inzake samenwerking en dat
andere EU-lidstaten niets hierover te zeggen hebben.
De Waalse politiek is wantrouwend tegenover een Etat-Belgo flamand, en zal dat zeker zijn tegenover een
economische, politieke en al helemaal tegenover een staatkundige samenwerking met een
Nederlandstalige meerderheid in een Benelux-(con)federatie want Nederland en Vlaanderen zouden de
basis vormen van de Benelux-(con)federatie. Zij doen ook geen bijdragen aan de Benelux tenzij het hen
goed uitkomt, en kijken voor bijna alles richting Parijs. De kans dat Wallonië toetreedt tot een Benelux-
(con)federatie is zéér klein. Wallonië zal tijdens de integratie naar een Benelux-(con)federatie op een
bepaald moment niet verder willen integreren waardoor er een duidelijke breuk zal komen met Vlaanderen
waarbij beide Belgische landsdelen hun eigen weg gaan. Indien Wallonië alsnog haar band met Nederland-
Vlaanderen wilt behouden, maar niet in een federaal verband, kan het toetreden tot het Koninkrijk der
Nederlanden met hetzelfde statuut als Aruba en Curaçao.
Het groothertogdom Luxemburg is sterk Europees gericht, is voor veel voorzieningen afhankelijk van
andere landen en heeft een bankeneconomie. Het heeft ook veel bijgedragen aan de Benelux en veel
samenwer-kingsovereenkomsten afgesloten binnen de Benelux. Een toetreding van het groothertogdom
Luxemburg tot een Benelux-(con)federatie is mogelijk. Indien Wallonië alsnog niet toetreedt tot de
Benelux-(con)federatie kan het groothertogdom toetreden tot het Koninkrijk der Nederlanden met
hetzelfde statuut als Aruba en Curaçao. Het groothertogdom was vroeger (1815-1890) in een personele
unie met het Huis Oranje-Nassau.

Hereniging van Nederland en Vlaanderen
Vooral de laatste jaren is er tussen Nederland en Vlaanderen sprake van een toenemende convergentie op
allerlei gebieden, waarvan de succesvolle Nederlandse Taalunie een voorbeeld is. Er gaan dan ook steeds
meer op om de samenwerking tussen Nederland en Vlaanderen te intensifiëren, zodat deze leidt tot een
mogelijke, staatkundige hereniging.
De “historische vergissing van 1830”, zoals de Vlaamse politicus Louis Tobback het ooit formuleerde, zou
daarmee worden hersteld. In Nederland lieten Andries Postma (CDA), professor Couwenberg, Jan Terlouw
(D66) en, recent, Geert Wilders (PVV) zich positief uit over een hereniging van Nederland met Vlaanderen.
Na de zware politieke crisis in België in 2007 blijkt uit peilingen in Nederland (mei 2008) dat twee derde van
de Nederlandse bevolking en gemiddeld ongeveer 35 % van de Vlaamse bevolking voor een hereniging te
vinden is. Mogelijk is ondertussen het aantal nog toegenomen.
Gemeenten/provincies van Wallonië kunnen zich, indien er een democratische meerderheid in deze
gemeen-ten/provincies is en er een democratische meerderheid is in het Waalse parlement opdat deze
gemeenten/ provincies van Wallonië mogen afscheuren, aansluiting zoeken bij Nederland-Vlaanderen.

6. Waarom een hereniging der Nederlanden
• de Nederlandse taal en cultuur worden gebundeld, versterkt en geborgd in één staatkundig geheel, dat
zelfverzekerd naar buiten optreedt;
• Nederland en Vlaanderen zijn economisch en historisch met elkaar verbonden;
• Nederland en Vlaanderen vormen samen een economische mogendheid die in Europa op de vijfde
plaats zal staan (Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Italië en Nederland-Vlaanderen). Als zodanig
vormen Nederland en Vlaanderen het politieke middelpunt van Europa met Brussel, de zetel van het
Europees parlement en de Europese commissie. Er zal in Europees verband worden geluisterd naar Den
Haag:

• Het vormt het economische hart van Europa met de belangrijkste havens van Europa (Amsterdam,
Antwerpen, Gent-Terneuzen, Rotterdam en Zeebrugge);
• Nederland en Vlaanderen zijn beiden bij de dichtst bevolkte gebieden van Europa met ± 25 miljoen
inwoners en beschikken samen over een uitstekende en compacte infrastructuur (autosnelwegen,
spoorwegen, waterwegen en vliegvelden);
• het gezamenlijke BNP zal behoren tot één van de hoogste in Europa;
• het samenvoegen van Nederland en Vlaanderen heeft ook nog de volgende troeven:
– opwerking van lokale havens (Delfzijl-Eemshaven en Oostende) in de nationale staatsstructuur
– grotere investeringsmogelijkheden voor (internationale) bedrijven
– sterke kenniseconomie
– vormen het handelscentrum van Europa
– mooie steden en streken.
Het zelfbeschikkingsrecht der volkeren zal een hereniging niet tegenhouden want Nederland en Vlaanderen
hebben een gemeenschappelijke taal, cultuur (de Nederlandse) en geschiedenis.

7. De voordelen van een hereniging der Nederlanden
• een grotere markt voor producten en diensten van Nederlandse en Vlaamse bedrijven;
• het maken van een sterke vuist tegen de oprukkende verfransing van Vlaanderen en tegen de
verengelsing in het algemeen;
• hogere welvaart voor alle bewoners van Nederland-Vlaanderen.

8. Hoe de hereniging te realiseren
• door een steeds verdergaande samenwerking van Vlaanderen met Nederland (en Luxemburg) via het
Benelux-verdrag of door een eenzijdige onafhankelijkheidsverklaring wordt Vlaanderen een onafhanke-
lijke soevereine staat;
• indien Voeren en Baarle-Hertog volgens het zelfbeschikkingsrecht problemen kunnen geven, kan Voeren
omgeruild worden met Baarle-Nassau. In Voeren wonen al veel Nederlanders en grenst aan Nederlands
Limburg. Baarle-Nassau is een gemeente met enclaves van de gemeente Baarle-Hertog op haar
grondgebied en een deel van Baarle-Hertog behoort niet tot een enclave;
• ± 2/3 de van de Belgische staatsschuld is voor rekening van Vlaanderen (inclusief de Brusselse) en is mede
het onderwerp van de gesprekken met Wallonië bij de ‘boedelscheiding’;
• na de verwezenlijking van de Vlaamse staat dient met Nederland te worden gepraat over een
versterking van de samenwerking (o.a. het organiseren van gezamenlijke sportcompetities zodat
Nederlanders en Vlamingen elkaar beter leren kennen) en een mogelijke politieke unie op middellange
termijn;
• indien de hereniging der Nederlanden er komt, zal er eerst een confederatie worden uitgeroepen, en dit
conform het plan-N van prof. Matthias Storme. De statuten van het Koninkrijk der Nederlanden geven
de mogelijkheid aan Vlaanderen om toe te treden tot het Koninkrijk der Nederlanden (naast Nederland,
maken de landen Aruba, Curaçao en Sint-Maarten deel uit van het Koninkrijk der Nederlanden);
• wij geven ook de mogelijkheid aan het Brusselse gewest (kans is groot dat het Brusselse gewest bij de
splitsing van België volkenrechtelijk aan Vlaanderen wordt toegewezen), het Waalse gewest (of delen ervan), de Duitstalige gemeenschap, alsmede het groothertogdom Luxemburg, als andere leden van de
Benelux, om ook toe te treden indien zij dit wensen;
• doordat Nederland al lid is van internationale organisaties als de EU, de WEU, de NAVO, de OVSE en de
VN, behoren de overige leden van het Koninkrijk of de Republiek der Nederlanden ook tot deze organi-
saties;
• de Staten-Generaal van Nederland dient een besluit te nemen ter goedkeuring en de parlementen van
de delen die willen toetreden tot het Koninkrijk der Nederlanden, dienen een besluit van toetreding te
nemen per gewone meerderheid;
• op termijn moet dit leiden tot een gedecentraliseerde eenheidsstaat, genaamd het Koninkrijk of de
Republiek der Nederlanden, voor de delen die willen tot één land te worden samengevoegd (onze
voorkeur gaat uit naar Nederland en Vlaanderen). De Staten-Generaal van Nederland en de
parlementen van de delen die willen toetreden tot deze eenheidsstaat, dienen een besluit te nemen
met een 2/3 de meerderheid. Alsook dienen er referenda te worden uitgeschreven om goedkeuring te
vragen aan de bevolking. De delen die niet tot de eenheidsstaat willen behoren, kunnen – in confederaal
verband – blijven behoren tot het Koninkrijk of de Republiek der Nederlanden indien gewenst;
• de delen die, samen met Nederland, willen deel uitmaken van de eenheidsstaat, zien hun parlement
definitief ontbonden in functie van de eerste gezamenlijke Tweede Kamerverkiezingen;
• na de eerstvolgende provincieraad- en eilandraadverkiezingen wordt de eerste gezamenlijke Eerste
Kamer samengesteld;
• alle verwijzingen naar België/Vlaanderen en Nederland mogen blijven bestaan omdat België/Vlaanderen
en Nederland deel maken van de geschiedenis van De Nederlanden;
• de provincies vormen de ‘deelstaten’ van de gedecentraliseerde eenheidsstaat. Zij hebben in principe
alle bevoegdheden behalve deze die via de grondwet toegewezen zijn aan de regering zoals defensie,
justitie en buitenlandse zaken, verkeer en waterstaat, het algemene cultuur- en onderwijsbeleid en het
asiel- en migratiebeleid. Sommige bevoegdheden kunnen bij de provincies en bij de regering zijn waarbij
de provincies vertegenwoordigers hebben in de desbetreffende ministeries. De provincies zijn nodig
want er bestaat geen landelijke identiteit in Nederland en in Vlaanderen.

9. Toenadering tussen Nederland en Vlaanderen
Overheden, zoals de regering, het parlement, de provincies en de gemeenten in Nederland en Vlaanderen,
moeten actieve samenwerking zoeken.
De Nederlandse provincies zijn vertegenwoordigd in het IPO (interprovinciaal overleg). Dit orgaan moet de
Vlaamse provincies uitdrukkelijk uitnodigen hiervan lid te worden.
De provincies Zeeland, Noord-Brabant en Nederlands Limburg vormen geografisch een brug tussen
Nederland en Vlaanderen qua cultuur, mentaliteit, taal, … en moeten hierin het voortouw nemen.
De provincies Nederlands Limburg en Belgisch Limburg hebben recent een akkoord gesloten dat ‘heel-
Limburgse’ doelstellingen bevat.
Op eenzelfde manier kunnen Noord-Brabant en Zeeland akkoorden sluiten met respectievelijk Antwerpen /
Vlaams-Brabant (+ Brussel) en Oost-Vlaanderen / West-Vlaanderen.
Ook de verhoudingen met de Nederlandse Antillen moeten nader worden bekeken.

10. Naam en algemene gegevens

• de officiële naam wordt het Koninkrijk der Nederlanden of de Republiek der Nederlanden. Officieus:
De Nederlanden (hierin wordt verwezen naar de volkerendiversiteit van de Noordzeedelta);
• inwoner: een Nederlander;
• symbolische hoofdstad: duo-hoofdstad Amsterdam-Brussel in de confederatie. In de eenheidsstaat
wordt Amsterdam de hoofdstad gezien Brussel reeds veel internationale instellingen heeft. Wat er met
de EU-instellingen in Brussel zal gebeuren, zal afhangen hoe de andere EU-lidstaten reageren op het
einde van België en het oprichten van de Nederlands-Vlaamse staat, indien de EU tegen dan nog
bestaat;
• zetel der regering: Den Haag, wegens de centrale ligging;
• vlag: de Prinsenvlag (oranje-wit-lichtblauw) oftewel de historische vlag van de Republiek der Zeven
Verenigde Nederlanden (1588-1795). Deze vlag werd bezoedeld tijdens het interbellum maar krijgt met
de hereniging haar eer terug;
• wapen: een leeuw met acht pijlen op een lichtblauwe achtergrond met gouden blokjes;
• wapenspreuken: Eenheid In Verscheidenheid, Hart en Handen in dienst van De Nederlanden;
• volkslied: in de confederatie behouden Nederland en Vlaanderen hun huidige volkslied (respectievelijk
‘het Wilhelmus’ en ‘de Vlaamse Leeuw’). In De Nederlanden wordt er gekozen voor ‘het Wilhelmus’ als
volkslied;
• landinitialen: NL;
• munteenheid: Euro (EUR; in eurozone), Gulden of Florijn (NLG of NLF; geen/uit eurozone);
• tijdszone: UTC+0, UTC-4 voor de Caraïbische Nederlanden (de UTC+0 bevindt zich tussen 7,5° WL en 7,5°
OL, de oostelijke grens van De Nederlanden bevindt zich deels op of binnen de 7,5° OL-grens waardoor
UTC+0 de echte zonnetijd is voor De Nederlanden. Dit heeft geen effect op de economie want deze is al
gebaseerd op de UTC+0-tijdszone, maar zorgt voor een beter welzijn van mens en dier gezien
biologische klokken afhankelijk zijn van de zon, daarom wordt ook het zomeruur niet behouden
(opmerking: de EU heeft bepaald dat landen zelf mogen beslissen over hun tijdszone en behoud of niet
van het zomeruur)).

11. Staatshoofd
Een vorst bij een Koninkrijk of een president bij een Republiek is het staatshoofd.
In een Koninkrijk is er een koning(in) als vorst.
De vorst heeft een protocollaire functie. De echte macht is bij de regering en de Staten-Generaal.
Indien de koning(in) troonsafstand doet of komt te overlijden, wordt de eerste troonsopvolg(st)er gekroond
tot de nieuwe koning(in).
Indien de koning(in) jonger is dan 18 jaar wordt het koninklijke gezag uitgeoefend door een regent,
aangeduid door de Staten-Generaal (regentschapswet).
Als er geen persoon is die het koninklijk gezag uitoefent, wordt het koninklijk gezag uitgeoefend door het
Hooggerechtshof. Dit kan het geval zijn wanneer de koning(in) minderjarig is of wanneer de koning(in) het
gezag tijdelijk heeft neergelegd en er in beide gevallen (nog) geen regent benoemd is. Het kan ook
voorkomen dat er geen Koning is: dit is mogelijk wanneer de Koning overlijdt of aftreedt terwijl er geen
opvolger is.
Zolang er geen regent of een nieuwe Koning is benoemd, oefent het Hooggerechtshof in dat geval het
konink-lijk gezag uit.
In een Republiek is er een president en deze heeft max. twee ambtstermijnen (d.w.z. max. 10 jaar).

Indien de president ontslag neemt, zijn/haar functie niet kan uitoefenen of komt te overlijden, neemt de
vicepresident de presidentiële taken tijdelijk over tot na de tussentijdse presidentsverkiezingen.
Indien er gekozen wordt voor een republiek blijft bij de overgang de zittende vorst koning(in) tot aan
zijn/haar dood of tot de dag dat hij/zij troonsafstand doet, maar er wordt geen opvolger meer aangeduid,
zodat er een natuurlijke overgang is van een Koninkrijk naar een Republiek.

12. Regering
Den Haag is de zetel van de regering en de Staten-Generaal (Eerste Kamer en Tweede Kamer).
De belangrijkste ministeries (departementen), ambassades en consulaten bevinden zich ook in Den Haag.
De regering wordt voorgezeten door de minister-president bij een Koninkrijk of de premier bij een
Republiek.
De Eerste Kamer der Staten-Generaal (senaat) bestaat uit 75 leden, met afgevaardigden van de Provinciale
Staten (hoeveel zetels per provincie wordt bepaald door het aantal stemgerechtigden) welke per provincie
worden aangeduid onder de verkozen leden van de Provinciale Staten, en de Eilandsraden.
De belangrijkste taak van de Eerste Kamer is het goedkeuren of verwerpen van wetsvoorstellen. Daarnaast
heeft de Eerste Kamer de taak om de regering te controleren.
Met het toevoegen van Brussel en Vlaanderen volgt een herverdeling van de zetels, maar het huidige aantal
zetels voor de Caraïbische Nederlanden blijft behouden.
De Tweede Kamer der Staten-Generaal (congres) bestaat uit 150 leden, rechtstreeks verkozen (hoeveel ze-
tels per kieskring wordt bepaald door het aantal stemgerechtigden).
De Tweede Kamer heeft twee taken: samen met de regering nieuwe wetten maken en controleren of de
regering haar werk goed doet. De Tweede Kamer speelt ook een belangrijke rol bij de vorming van het
beleid.
De landelijke kieskring voor de Tweede Kamer wordt afgeschaft en de 50 landelijke zetels worden verdeeld
over de kieskringen voor de Tweede Kamer zodat Vlaanderen en Brussel ook een vertegenwoordiging
hebben in de Tweede Kamer.
De regering ontvangt haar inkomsten uit de ontvangsten uit btw en persoonsgebonden belastingen (o.a.
belastingen op de lonen en uitkeringen, personenbelasting, vennootschapsbelasting, successierechten, …)
en van de provincies a rato van de economische sterkte van de provincie.
Indien Wallonië en Luxemburg toetreden, wordt het aantal zetels in de Eerste Kamer verhoogd tot 90 en
het aantal zetels in de Tweede Kamer verhoogd tot 180 zodat Wallonië en Luxemburg ook
vertegenwoordigers hebben in de Eerste Kamer en de Tweede Kamer.
Voor het bespreken van mogelijke wijzigingen aan de statuten van het Koninkrijk of de Republiek der
Neder-landen en van de relaties tussen De Nederlanden en de andere delen van het Koninkrijk of de
Republiek komt er in Brussel, en later op een definitieve locatie in Den Haag, een Koninkrijksparlement bij
een Koninkrijk of een Huis van de Republiek bij een Republiek. Hier zetelen vertegenwoordigers van de
parlementen van de diverse delen van het Koninkrijk of de Republiek, met telkens als fractievoorzitter de
Minister van Binnen-landse Zaken en Koninkrijkrelaties/Republiekrelaties van de regeringen, en met als
parlementsvoorzitter de minister-president bij een Koninkrijk of de premier bij een Republiek van De
Nederlanden.
Dit Koninkrijksparlement of Huis van de Republiek wordt de opvolger van het Benelux-parlement.

13. Provincies en regio’s
In de hoofdplaatsen van de provincies zetelen de Provinciale Staten.
Het aantal leden van de provinciale staten wordt bepaald door het aantal inwoners van de provincie.
Het college van gedeputeerde staten doet het dagelijks bestuur en wordt voorgezeten door de gouverneur.
Indien de Staten-Generaal beslist om De Nederlanden om te vormen tot een ‘federatie’ worden de
provincies omgevormd tot echte ‘deelstaten’ met elk een eigen regering (president en ministers bij een
Koninkrijk of minister-president en ministers bij een Republiek).
Elke provincie heeft ook een vertegenwoordiging in de Eerste Kamer, gekozen uit de leden van de
provinciale staten, en dit in verhouding tot het aantal stemgerechtigden per provincie.
De grootsteden – d.w.z. de steden met minimum 500.000 inwoners – worden stadsprovincies.
Bijgevolg zijn de 22 provincies als volgt:
1. Amsterdam (agglomeratie Amsterdam; stadsprovincie)
2. Antwerpen (agglomeratie Antwerpen en haven; stadsprovincie)
3. Brussel (Brusselse gewest; stadsprovincie)
4. Den Haag (agglomeratie Den Haag; stadsprovincie)
5. Drenthe (hoofdplaats Assen)
6. Flevoland (hoofdplaats: Lelystad)
7. Friesland (hoofdplaats: Leeuwarden)
8. Gelderland (hoofdplaats: Arnhem)
9. Groningen (hoofdplaats: Groningen)
10. Midden-Brabant (zonder Antwerpen, met Baarle-Nassau; hoofdplaats: Lier)
11. Noord-Brabant (zonder Baarle-Nassau; hoofdplaats: Den Bosch)
12. Noord-Holland (zonder Amsterdam; hoofdplaats: Haarlem)
13. Oost-Limburg (hoofdplaats: Maastricht)
14. Oost-Vlaanderen (hoofdplaats: Gent)
15. Overijssel (hoofdplaats: Zwolle)
16. Rotterdam (agglomeratie Rotterdam en haven; stadsprovincie)
17. Utrecht (hoofdplaats: Utrecht)
18. West-Limburg (hoofdplaats: Hasselt)
19. West-Vlaanderen (hoofdplaats: Brugge)
20. Zeeland (hoofdplaats: Middelburg)
21. Zuid-Brabant (hoofdplaats: Leuven)
22. Zuid-Holland (zonder Den Haag en Rotterdam; hoofdplaats Leiden).
Indien Wallonië en Luxemburg ook toetreden krijgen we nog 7 bijkomende provincies:
23. Henegouwen (hoofdplaats: Bergen)
24. Luik (zonder Ostbelgien; hoofdplaats: Luik)
25. Namen (hoofdplaats: Namen)
26. Oost-Luxemburg (huidige Groothertogdom; hoofdplaats: Luxemburg)
27. Ostbelgien (de Oostkantons; hoofdplaats Eupen)
28. Waals-Brabant (hoofdplaats: Waver)

29. West-Luxemburg (hoofdplaats: Aarlen)
De provincies krijgen in principe alle bevoegdheden, behalve deze die via de grondwet toegewezen zijn aan
de regering.
De provincies (en de gemeenten) ontvangen hun inkomsten uit grondgebonden belastingen (o.a.
onroerende voorheffing, belasting op vastgoedtransacties, verkeersboetes, …).
Ook zijn er transfers van de rijke naar de armere provincies maar deze solidariteit staat gelijk aan responsa-
bilisering (m.a.w. de ontvangende provincies die geen moeite doen om hun economie beter uit te bouwen,
worden bestraft door het ontvangen van minder geld via de transfers).
Indien de Staten-Generaal beslist om de ‘gewesten’ van het pre-Franse Revolutie-tijdperk te herstellen,
stelt onze werkgroep – op basis van bovenstaande lijst – de volgende 17 gewesten voor:
1. Amsterdam
2. Antwerpen
3. Brabant (Midden-Brabant, Noord-Brabant en Zuid-Brabant; hoofdplaats: Breda)
4. Brussel
5. Den Haag
6. Drenthe (hoofdplaats: Assen)
7. Flevoland (hoofdplaats: Lelystad)
8. Friesland (hoofdplaats: Leeuwarden)
9. Gelderland (hoofdplaats: Arnhem)
10. Groningen (hoofdplaats: Groningen)
11. Holland (Noord-Holland en Zuid-Holland; hoofdplaats: Haarlem)
12. Limburg (Oost-Limburg en West-Limburg; hoofdplaats: Maastricht)
13. Overijssel (hoofdplaats: Zwolle)
14. Rotterdam
15. Utrecht (hoofdplaats: Utrecht)
16. Vlaanderen (Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Zeeuws-Vlaanderen; hoofdplaats: Brugge)
17. Zeeland (zonder Zeeuws-Vlaanderen; hoofdplaats: Middelburg).
Indien Wallonië en Luxemburg toetreden krijgen we vier bijkomende gewesten:
18. Condroz (Namen, Waals-Brabant en het westelijk deel van de provincie Luik; hoofdplaats: Namen)
19. Henegouwen (hoofdplaats: Bergen)
20. Luik (agglomeratie Luik; stadsprovincie)
21. Luxemburg (de provincie Luxemburg, Ostbelgien en het Groothertogdom Luxemburg; hoofdplaats:
Luxemburg)
Indien de Staten-Generaal beslist om in de ‘Noordelijke Nederlanden’ grotere gewesten te creëren, stelt
onze werkgroep – op basis van bovenstaande lijst – de volgende 12 gewesten voor:
1. Amsterdam
2. Antwerpen
3. Brabant (hoofdplaats: Breda)
4. Brussel
5. Den Haag
6. Friesland (hoofdplaats: Leeuwarden)
7. Gelderland (Flevoland, Gelderland en Overijssel; hoofdplaats: Arnhem)
8. Holland (Holland, Utrecht en Zeeland; hoofdplaats: Haarlem)
9. Limburg (hoofdplaats: Maastricht)
10. Nedersaksen (Groningen en Drenthe; hoofdplaats: Groningen)
11. Rotterdam

12. Vlaanderen (hoofdplaats: Brugge).
Indien Wallonië en Luxemburg toetreden kom je dan aan 16 gewesten.
De provincies worden onderverdeeld in regio’s voor veiligheid en justitie, mobiliteit en intergemeentelijke
samenwerkingsakkoorden.
Voor de stadsprovincies en de provincies Drenthe, Flevoland, Friesland, Groningen, Utrecht, West-Limburg
en Zeeland valt de regio samen met de provincie. Twee of meerdere regio’s mogen ook samenwerken.
Bijgevolg zijn de 42 regio’s als volgt:
1. Amsterdam-Amstelland (Amsterdam)
2. Antwerpen (Antwerpen)
3. Brugge-Oostkust (West-Vlaanderen)
4. Brussel (Brussel)
5. Denderland (Oost-Vlaanderen)
6. Drenthe (Drenthe)
7. Flevoland (Flevoland)
8. Fryslan (Friesland)
9. Gelderland-Midden (Gelderland)
10. Gelderland-Zuid (Gelderland)
11. Gent-Meetjesland (Oost-Vlaanderen)
12. Gooi en Vechtstreek (Noord-Holland)
13. Groningen (Groningen)
14. Haaglanden (Den Haag)
15. Hollands-Midden (Zuid-Holland)
16. IJsselland (Overijssel)
17. Kempen (Midden-Brabant)
18. Kennemerland (Noord-Holland)
19. Midden- en West-Noord-Brabant (Noord-Brabant)
20. Midwest (West-Vlaanderen)
21. Noord-Brabant-Noord (Noord-Brabant)
22. Noord-Brabant-Zuidoost (Noord-Brabant)
23. Noord-Holland-Noord (Noord-Holland)
24. Noord- en Oost-Gelderland (Gelderland)
25. Middenkust-Westkust (West-Vlaanderen)
26. Oost-Limburg-Noord (Oost-Limburg)
27. Oost-Limburg-Zuid (Oost-Limburg)
28. Rivierenland (Midden-Brabant)
29. Rotterdam-Rijnmond (Rotterdam)
30. Twente (Overijssel)
31. Utrecht (Utrecht)
32. Vlaamse Ardennen (Oost-Vlaanderen)
33. Waasland (Oost-Vlaanderen)
34. Westhoek (West-Vlaanderen)
35. West-Limburg (West-Limburg)
36. West-Vlaanderen-Zuid (West-Vlaanderen)
37. Zaanstreek-Waterland (Noord-Holland)
38. Zeeland (Zeeland)
39. Zuid-Brabant-Oost (Zuid-Brabant)
40. Zuid-Brabant-West (Zuid-Brabant)
41. Zuid-Holland-Zuid (Zuid-Holland)

42. Caraïbische Nederlanden: dit zijn de eilanden Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (zij hebben als statuut
Caraïbisch Openbaar Lichaam en vormen een eigen regio).
Indien Wallonië en Luxemburg toetreden worden hun regio’s ook toegevoegd.

14. Gemeenten, districten en eilanden
De gemeenten hebben minimum 7.500 inwoners, met uitzondering van de Waddeneilanden en de Caraïbi-
sche Nederlanden. De Caraïbische Nederlanden hebben het statuut van ‘bijzondere gemeenten’.
De stadsprovincies hebben geen gemeenten maar districten. De districten hebben een deel van de
bevoegd-heden van een gemeente gezien het echte bestuur van de stad bij de Provinciale Staten ligt.
Indien een gemeentefusie/herindeling noodzakelijk is opdat alle gemeenten minimum 7.500 inwoners heb-
ben, dient dit geval per geval te worden bekeken rekening houdend met de infrastructuur van het gebied
en de historiek van en de historische band tussen de woonkernen binnen het gebied en opdat elke
gemeente al de aan haar toegewezen bevoegdheden kan uitoefenen zonder – in normale omstandigheden
– financieel in de problemen te komen.
Door een gemeentefusie/herindeling kan een provinciegrens verschuiven, maar deze grenzen dienen zo
wei-nig mogelijk grillig te zijn.
Baarle-Hertog en Baarle-Nassau dienen uitzonderlijk twee aparte gemeenten te blijven wegens hun unieke
indeling dat stamt uit de middeleeuwen, maar kunnen als één gemeente worden beschouwd.
Het aantal leden van de gemeenteraad / districtsraad wordt bepaald door het aantal inwoners van de
gemeente / het district.
Het college van burgemeester en schepenen/wethouders doet het dagelijks bestuur van de gemeente en
wordt voorgezeten door de burgemeester.
Het districtscollege doet het dagelijks beheer van het district en wordt voorgezeten door de districts-
burgemeester.
De Caraïbische Nederlanden hebben Eilandsraden. Het aantal leden van een Eilandsraad wordt bepaald
door het aantal inwoners van het eiland.
Het bestuurscollege doet het dagelijks beheer van het eiland en wordt voorgezeten door de gezaghebber.

15. Bestuur
Op het landelijke niveau wordt de minister-president bij een Koninkrijk en de president bij een Republiek
rechtstreeks verkozen.
Op het provinciale niveau worden de gouverneurs rechtstreeks verkozen.
Op het lokale niveau worden de (districts)burgemeester rechtstreeks verkozen.
Op de Caraïbische Nederlanden wordt de gezaghebber rechtstreeks verkozen.
Verloop formatie
– Verkenningsfase: De (minister-)president, de gouverneurs, de (districts)burgemeesters en de gezaghebber
duiden een verkenner aan. Deze verkenner praat met de fractievoorzitters (de verkozenen van elke partij
met de meeste voorkeurstemmen) van de Tweede Kamer, de Provinciale Staten, de gemeenteraad, de districtsraad of de Eilandsraad om de inventariseren bij alle partijen met welke partijen onderhandelingen
kunnen beginnen.
– Informatiefase: De (minister-)president, de gouverneurs, de (districts)burgemeesters en de gezaghebber
duiden een informateur(s) aan. Deze informateur(s) start gesprekken met een combinatie van partijen op
basis van de verkenningsfase om een bestuurscoalitie te vormen. Het resultaat hiervan is een conceptbe-
stuursakkoord. Over het conceptbestuursakkoord vindt voor de start van de formatiefase een debat plaats
in de Tweede Kamer, de Provinciale Staten, de gemeenteraad, de districtsraad of de Eilandsraad.
– Formatiefase: De (minister-)president duidt een formateur aan uit de leden van de Tweede Kamer
dewelke de minister van financiën bij een Koninkrijk of de premier bij een Republiek wordt van zijn/haar
regering. De minister van financiën bij een Koninkrijk of de premier bij een Republiek, de gouverneurs, de
(districts)bur-gemeesters en de gezaghebber start de gesprekken, in overleg met onderhandelaars van het
toekomstige bestuur, over de kandidaat-bestuursleden uit de leden van de Tweede Kamer, de Provinciale
Staten, de gemeenteraad, de districtsraad of de Eilandsraad. Na afronding van de gesprekken informeert de
minister van financiën de minister-president bij een Koninkrijk of de premier de president bij een Republiek
en de minister-presidenten/presidenten van de andere delen van het Koninkrijk of de Republiek der
Nederlanden. Indien de bestuursploeg compleet is, komen de bestuursleden bijeen. Tijdens dit overleg
worden afspraken gemaakt over de procedurele zaken zoals de portefeuilleverdeling, vervangingsregeling,
profiel van het bestuur en de eenheid van het bestuur. Er kunnen opmerkingen gemaakt worden over het
bestuursakkoord en er wordt gesproken over de bestuursverklaring.
Als uit de vergadering geen bezwaren komen, brengt de minister van financiën bij een Koninkrijk of de
premier bij een Republiek, de gouverneurs, de (districts)burgemeesters en de gezaghebber verslag uit aan
de Tweede Kamer, de Provinciale Staten, de gemeenteraad, de districtsraad of de Eilandsraad, en
informeert de minister van financiën de minister-president bij een Koninkrijk of de premier de president bij
een Repu-bliek.
– Beëdiging: De Tweede Kamer, de Provinciale Staten, de gemeenteraad, de districtsraad of de Eilandsraad
beëdigen de regering, het college van gedeputeerde staten, het college van burgemeester en schepenen/
wethouders, het districtscollege of het bestuurscollege.
Bij een Koninkrijk heeft de minister-president het ministerie van Algemene Zaken en wordt de viceminister-
president de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Bij een Republiek heeft de premier het ministerie van Algemene Zaken en wordt de vicepresident de
Minister van Binnenlandse Zaken en Republiekrelaties.
De gouverneurs, de (districts)burgemeesters en de gezaghebbers hebben de bevoegdheid veiligheid.
De vicegouverneurs worden de provinciale gedeputeerden van bestuurlijke organisaties.
De eerste (districts)wethouders/schepenen of de eerste eilandsgedeputeerde hebben de bevoegdheid
finan-ciën.
Een bestuur heeft in de Tweede Kamer, de Provinciale Staten, de gemeenteraad, de districtsraad of de
Eilandsraad geen stemrecht om de onafhankelijkheid van de Tweede Kamer, de Provinciale Staten, de
gemeenteraad, de districtsraad en de Eilandsraad te bewaren.
Indien de (minister-)president, de gouverneur, de (districts)burgemeester of de gezaghebber (een lid van)
zijn/haar bestuur benoemd of ontslaat, dient dit bekrachtigd te worden door de Tweede Kamer, de Provin-
ciale Staten, de gemeenteraad, de districtsraad of de Eilandsraad met een gewone meerderheid.
Indien de vice(minister-)president, de vicegouverneur, de eerste (districts)wethouder/schepen of de eerste
eilandsgedeputeerde wordt ontslagen, wordt deze vervangen door het lid met de meeste
voorkeurstemmen van de fractie van de (minister-)president / gouverneur / (districts)burgemeester /
gezaghebber in de Tweede Kamer / Provinciale Staten / gemeenteraad / districtsraad / Eilandsraad.
Een bestuur(slid) blijft aan tot het wordt vervangen.
Een ontslagen bestuur(slid) wordt vervangen door volksverkozene(n) zetelend in Tweede Kamer /
Provinciale Staten / gemeenteraad / districtsraad / Eilandsraad.

De bekrachtiging van het ontslag van een bestuur(slid) en het aanduiden van een nieuw bestuur(slid) dient
te gebeuren door de Tweede Kamer / Provinciale Staten / gemeenteraad / districtsraad / Eilandsraad.
Indien er geen meerderheid kan gevonden worden, dient de president, de gouverneur, de (districts)burge-
meester of de gezaghebber een ander lid voor zijn bestuur of een ander bestuur uit de leden van de
Tweede Kamer, de Provinciale Staten, de gemeenteraad, de districtsraad of de Eilandsraad aan te duiden of
het ontslag in te trekken.
Afzetting
De Tweede Kamer, de Provinciale Staten, de gemeenteraad, de districtsraad en de Eilandsraad kunnen de
(minister-)president, de gouverneur, de (districts)burgemeester of de gezaghebber afzetten met een 2/3 de
meerderheid.
Via een volksraadpleging kan de (minister-)president, de gouverneur, de (district)burgemeester of de
gezag-hebber ook worden afgezet.
Bij een afzetting valt het hele bestuur en volgen er na vier weken tussentijdse (minister-)president-, gouver-
neur-, (districts)burgemeesters- of gezaghebbersverkiezingen, waarna een nieuw bestuur dient te worden
benoemd en bekrachtigd door de Tweede Kamer / Provinciale Staten / gemeenteraad / districtsraad /
Eilandsraad.
Ontbinding
Indien de Tweede Kamer, de Provinciale Staten, de gemeenteraad, de districtsraad of de Eilandsraad zich
ontbindt, volgen er nieuwe verkiezingen voor Tweede Kamer, Provinciale Staten, gemeenteraad, districts-
raad of Eilandsraad.
Bij afzetting, ontslag of overlijden van de (minister-)president, gouverneur, (districts)burgemeester of
gezag-hebber neemt de vice(minister-)president, de vicegouverneur, de eerste
(districts)wethouder/schepen of de eerste eilandsgedeputeerde de taken tijdelijk waar tot er een nieuwe
(minister-)president, gouverneur, (districts)burgemeester of gezaghebber wordt verkozen via tussentijdse
verkiezingen.
Ook als de (minister-)president, gouverneur, (districts)burgemeester of gezaghebber op vakantie of ziek is,
worden de taken tijdelijk waargenomen.
Eveneens als de (minister-)president op een buitenlandse zending is, neemt de vice(minister-)president de
taken tijdelijk waar.
Indien zowel de (minister-)president / gouverneur / (districts)burgemeester / gezaghebber, als de vice(mini-
ster-)president / vicegouverneur / eerste (districts)wethouder/schepen / eerste eilandsgedeputeerde niet
beschikbaar zijn, dan neemt het bestuurslid met het hoogste aantal voorkeurstemmen hun taken waar.
Indien het volledige bestuur onbeschikbaar is, wordt door de Tweede Kamer / Provinciale Staten /
gemeente-raad / districtsraad / Eilandsraad tussen haar leden een tijdelijk bestuur aangesteld (via de
nodige stemron-den) tot (een lid van) het effectieve bestuur terug is of tot een nieuw effectief bestuur
werd bekrachtigd na (tussentijdse) verkiezingen.
Indien er vijf maanden na de verkiezingen er geen nieuw bestuur is, volgen er na vier weken tussentijdse
verkiezingen.
Indien er twee maanden na de tussentijdse verkiezingen geen nieuw bestuur is, volgen er na vier weken
nieuwe tussentijdse verkiezingen.
Een demissionair bestuur(slid) mag enkel nog de lopende zaken afhandelen en geen omstreden zaken
behan-delen, uitgezonderd in geval van nood.
De lonen van demissionaire bestuursleden/besturen worden gehalveerd.

Een volksverkozene mag gecombineerd max. twee ambtstermijnen (d.w.z. max. 10 jaar) in een bestuur
zetelen (vb. max. twee termijnen (minister-)president of max. één termijn premier of minister en max. één
termijn wethouder/ schepen).
Na het verstrijken van deze termijnen mag de volksverkozene in geen enkel bestuur nog zetelen.
De staat is voor 100 % eigenaar van De Nederlandsche Bank nv (de centrale bank van De Nederlanden).
Enkel niet-politiek partijgebonden staatsburgers, met de nodige competenties, mogen lid worden van de
directie om de onafhankelijkheid van deze instelling te waarborgen. Benoeming of ontslag van een lid van
de directie gebeurt door de Minister van Financiën. De directie benoemt of ontslaat zelf haar administratief
personeel.
De directie wordt voorgezeten door een president dewelke de financiële zaken bespreekt samen met de
Minister van Financiën en de directeurs-generaal en secretaris-generaal van zijn ministerie.
Indien noodzakelijk kan de (minister-)president samen met de Tweede Kamer beslissen om een
zakenkabinet aan te stellen dat het land uit de moeilijkheden moet halen. Dit bestuur bestaat uit
gespecialiseerde ministers die helemaal geen binding met politieke partijen hebben en heeft eerder als
doel de lopende zaken te behartigen dan om een bepaald politiek programma uit te voeren.
Enkel niet-politiek partijgebonden staatsburgers mogen werknemer zijn van een overheidsinstelling.

16. Verkiezingen
Voor de (minister-)presidentsverkiezingen is er een landelijke kieskring.
Voor de Europese, Tweede Kamer- en Provinciale Statenverkiezingen zijn er provinciale kieskringen.
De Caraïbische Nederlanden hebben een eigen kieskring voor de Tweede Kamerverkiezingen.
Voor de gouverneurverkiezingen zijn er provinciale kieskringen.
Voor de burgemeester- en gemeenteraadsverkiezingen zijn er gemeentelijke kieskringen.
Voor de districtsburgemeester- en districtsraadverkiezingen is er een kieskring op districtsniveau.
Voor de gezaghebbers- en eilandsraadverkiezingen van de Caraïbische Nederlanden is er een kieskring per
eiland.
Het aantal leden dat per kieskring voor de Tweede Kamer en de Provinciale Staten met meerdere
kieskringen wordt verkozen, wordt bepaald door het aantal stemgerechtigden per kieskring.
Verkiezingscampagnes dienen te worden gevoerd in het Nederlands, uitgezonderd in Friesland (het Fries)
en de Caraïbische Eilanden (het Papiaments of Engels). Indien Wallonië en Luxemburg toetreden mogen
in deze regio’s ook verkiezingscampagnes worden gevoerd in respectievelijk het Frans, het Duits en het
Luxemburgs.
Men kan zich enkel verkiesbaar stellen in de kieskring waar men woonachtig is.
Buitenlandse autoriteiten mogen in De Nederlanden geen campagnes voeren voor verkiezingen in hun
landen. Staatsburgers van deze landen dienen hun stem uit te brengen per brief of in de ambassade en
mogen tijdens deze verkiezingen de openbare orde niet verstoren op straffe van uitzetting.

Kandidaat-(minister-)president, -gouverneurs, -(districts)burgemeesters en -gezaghebbers die zich niet aan
de kieswet houden, worden alsnog uitgesloten uit de (minister-)presidents-, gouverneurs-, (districts)burge-
meesters- en gezaghebbersverkiezingen.
Kandidaat-volksverkozenen die zich niet aan de kieswet houden, worden alsnog uitgesloten van te zetelen
in de Tweede Kamer / Provinciale Staten / gemeenteraad / districtsraad / Eilandsraad.
Verkiezingen zijn om de vijf jaar. Een volmacht kan worden gegeven als volgt .
Er is geen opkomstplicht, wel stemrecht, en dit voor alle staatsburgers van De Nederlanden van 18 jaar
en ouder! Lijststemmen zijn niet toegelaten, d.w.z. 1 kiezer = 1 stem op 1 kandidaat!
Enkel deelnemers aan een verkiezing kunnen, in navolging van deze verkiezing, een politiek mandaat
opnemen. Het opnemen van meerdere politieke mandaten is niet toegestaan.
Indien twee of meerdere een gelijk aantal voorkeurstemmen heeft, gaat de zetel(s) naar de grootste
fractie. Indien het gaat tussen twee of meerdere personen van dezelfde fractie, dan beslist de fractie.
Indien een volksverkozene ontslag neemt, niet meer in de onmogelijkheid is om te zetelen (vb. vanwege
langdurige ziekte), zich na een verkiezing terugtrekt, komt te overlijden, uit zijn/haar politieke rechten
werd gezet of aan een bestuur deelneemt, gaat zijn/haar zetel in de Tweede Kamer / Provinciale Staten /
gemeenteraad / districtsraad / Eilandsraad naar de eerstvolgende verkozene met de meeste voorkeur-
stemmen van zijn/haar kieskring (bij ontslag uit een bestuur of bij terugkeer uit ziekte mag de zetel terug
opgenomen worden).
Een persoon die uit zijn politieke rechten werd gezet, mag niet deelnemen aan de eerstvolgende verkie-
zing(en).
Bij tussentijdse verkiezingen wordt door een nieuw bestuur de rest van een legislatuur uitgedaan zodat de
periode van verkiezingen om de vijf jaar voor een legislatuur blijft behouden.
De verkiezingen voor het Europese en het landelijke bestuursniveau vallen samen.
De verkiezingen voor het provinciale en het gemeentelijk bestuursniveau, en het bestuursniveau van de
Caraïbische Nederlanden vallen samen (datum wordt per provincie / eiland bepaald door de Provinciale
Staten / Eilandsraden) en dit halfweg een bestuursperiode van het Europese en het landelijke niveau.
Vanaf de leeftijd van 15 jaar kan men zich aansluiten bij een partij.
Vanaf de leeftijd van 21 jaar kan men zich verkiesbaar stellen of een eigen partij oprichten.
Aan de (minister-)presidents-, gouverneurs-, (districts)burgemeesters- en gezaghebbersverkiezingen mogen
maximum twee personen per partij deelnemen: de effectieve kandidaat en de ‘running mate’.
Opmerking:
 enkel partijen die landelijk opkomen, mogen een kandidaat afvaardigen om deel te nemen aan de
(minister-)presidentsverkiezingen;
 enkel partijen die in een gehele provincie opkomen, mogen een kandidaat afvaardigen voor de
gouverneursverkiezingen;
 enkel partijen die landelijk opkomen en reeds een zetel hebben in het Europees parlement mogen
meedoen aan de Europese verkiezingen. Indien een nieuwe partij wilt meedoen, dient deze partij ook
een ondersteuningsverklaring in te leveren en een waarborgsom te betalen.
Indien een kandidaat geen absolute meerderheid behaald, worden er vier weken na de eerste ronde een
tweede ronde georganiseerd tussen de beste twee kandidaten (of meer dan twee kandidaten bij een gelijke
stand tussen twee of meerdere kandidaten) van de eerste ronde.
Bij een gelijke stand in de tweede ronde wint de kandidaat met de meeste stemmen in de eerste ronde.
Bij geen beslissing via verkiezingen is er een stemming in de Tweede Kamer / Provinciale Staten /
gemeente-raad / districtsraad / Eilandsraad (meerdere stemronden indien nodig) om de president /
gouverneur / (districts)burgemeester / gezaghebber aan te duiden.

De leden van de Eerste Kamer / Tweede Kamer / Provinciale Staten / gemeenteraad / districtsraad /
Eilandsraad blijven aan tot de eerste zitting van de volgende legislatuur, bij tussentijdse verkiezingen tot
aan de eerste zitting na de verkiezingen.
Uit de leden van de Tweede Kamer wordt de Europees Commissaris en wordt de vertegenwoordiging voor
het Koninkrijksparlement of het Huis van de Republiek verkozen.
Elk lid kan zich verkiesbaar stellen. De nodige stemronden worden gehouden waarbij telkens de kandidaat
met het minste aantal stemmen afvalt, tot een lid een gewone meerderheid heeft bekomen.
Bij de installatievergadering van de nieuwe Eerste Kamer / Tweede Kamer / Provinciale Staten / gemeente-
raad / districtsraad / Eilandsraad is het lid dat het langst zit, de tijdelijke voorzitter dewelke de
eedafleggingen doet.
Na de eedaflegging wordt uit de leden van de Eerste Kamer / Tweede Kamer / Provinciale Staten / gemeen-
teraad / districtsraad / Eilandsraad wordt de nieuwe voorzitter voor de Eerste Kamer / Tweede Kamer /
Provinciale Staten / gemeenteraad / districtsraad / Eilandsraad verkozen. Elk lid kan zich verkiesbaar
stellen. De nodige stemronden worden gehouden waarbij telkens de kandidaat met het minste aantal
stemmen afvalt, tot een lid een gewone meerderheid heeft bekomen. Bij vakantie of ziekte neemt de
eerstvolgende kandidaat de taken waar. Bij ontslag of overlijden neemt de eerstvolgende kandidaat de
taken waar tot er een vervanger werd aangeduid.
Uit de leden van de Provinciale Staten en de Eilandsraden worden de vertegenwoordigers voor de Eerste
Kamer verkozen. Elk lid kan zich verkiesbaar stellen. De nodige stemronden worden gehouden waarbij
telkens de kandidaat met het minste aantal stemmen afvalt, tot een lid een gewone meerderheid heeft
bekomen. Bij vakantie of ziekte neemt de eerstvolgende kandidaat de taken waar. Bij ontslag of overlijden
neemt de eerstvolgende kandidaat de taken waar tot er een vervanger werd aangeduid.
Alle stemmingen (Eerste Kamer, Tweede Kamer, Provinciale Staten, gemeenteraad, districtsraad en
Eilandsraad) en alle verkiezingen zijn anoniem.
Burgers van De Nederlanden die in het buitenland tijdelijk of permanent verblijven, dienen zich voor een
verkiezing te registeren bij de gemeente/district waar de (laatste) officiële verblijfplaats in De Nederlanden
zich bevindt. De registraties worden geteld bij het aantal stemgerechtigden van deze gemeente/district.
Indien een burger in het buitenland geboren is, dient deze zich te registeren bij de gemeente/district van de
ouder(s) of voogd van deze burger. Indien de beide ouders, voor de verhuis naar het buitenland, uit twee
diverse gemeenten/districten komen, mag deze burger kiezen uit één van deze twee gemeenten/districten.

17. Volksraadplegingen
Democratie staat hoog in het vaandel in onze werkgroep. Daar zijn wij voorstander van volksraadplegingen.
Bij elke grondwetswijziging (nà goedkeuring door de Eerste Kamer en de Tweede Kamer met een 2/3 de
meerderheid) en bij elk belangrijk maatschappelijk debat moet een volksraadpleging plaatsvinden.
Een beslissing van een bestuur kan worden tegengehouden of een stemming van wantrouwen tegen een
bestuur, en automatisch nieuwe verkiezingen, kan worden gehouden via een volksraadpleging indien een
burgerinitiatief, zonder enige relatie met de politiek, het vereiste aantal handtekeningen behaalt.

Voor het Europees niveau kan via een volksraadpleging een stemming van wantrouwen worden georga-
niseerd tegen de vertegenwoordigers van De Nederlanden in het Europees Parlement en nieuwe Europese
verkiezingen geëist indien een burgerinitiatief het vereiste aantal handtekeningen behaalt.
Bij een opkomst van 49,99% of lager is de volksraadpleging ongeldig. Tussen 50 % en 79,99 % opkomst is de
volksraadpleging raadgevend. Bij een opkomst van 80 % of meer is de volksraadpleging bindend.
Alle volksraadplegingen zijn anoniem.

18. Officiële feestdagen
• 1 januari: Nieuwjaarsdag
• 1 e Paasdag (zondag)
• 2 e Paasdag (maandag)
• 5 mei: Bevrijdingsdag (bevrijding De Nederlanden en dodenherdenking WO 1940-1945)
• Hemelvaartsdag (donderdag)
• 1 e Pinksterdag (zondag)
• 2 e Pinksterdag (maandag)
• 26 juli: Verlathinge Dag (de nationale feestdag van De Nederlanden cfr. naar de ondertekening van de
'Akte van Verlathinge' op 26 juli 1581 waarop De Nederlanden, inclusief het Graafschap Vlaanderen en
het Hertogdom Brabant, zich afscheurden van Spanje; met een Plakkaatconcert (op 25 juli in de avond),
Plakkaatspelen, … zoals bij Koningsdag/Koninginnedag)
• 15 augustus: Onze-Lieve-Vrouw-Hemelvaart + einde en dodenherdenking WO 1940-1945 in Azië
• 11 november: Wapenstilstand (einde en dodenherdenking WO 1914-1918)
• 25 december: 1 e Kerstdag
• 26 december: 2 e Kerstdag
De officiële feestdagen zijn de belangrijkste landelijke feestdagen, de belangrijkste katholieke en protes-
tantse feestdagen en de oorlogsherdenkingsdagen.
Binnen het CAO of arbeidsovereenkomst komt te staan indien een werknemer een vrije dag heeft op feest-
dagen.
Binnen het CAO of arbeidsovereenkomst kunnen ook bijkomende vrije dagen worden opgenomen zoals vb.
Goede Vrijdag, Dag van de Arbeid en de vrijdag na Hemelvaartsdag.

19. Onderwijsvakanties
De Nederlanden hebben drie onderwijsvakantieregio’s, zijnde
• Noord: de provincies Amsterdam, Drenthe, Flevoland (zonder de gemeente Zeewolde), Friesland,
Gronin-gen, Noord-Holland, de gemeente Hattem van de provincie Gelderland en de gemeenten De
Ronde Venen en Eemnes van de provincie Utrecht;
• Midden: de provincies Den Haag, Gelderland (zonder de gemeente Hattem), Rotterdam, Utrecht (zonder
de gemeenten De Ronde Venen en Eemnes), Zuid-Holland, de gemeente Altena (Noord-Brabant) en de
gemeente Zeewolde (Flevoland);
• Zuid: de provincies Antwerpen, Brussel, Limburg, Midden-Brabant, Noord-Brabant (zonder de gemeente
Altena), Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Zuid-Brabant.

Bijkomend op de wettelijke feestdagen zijn de scholen gesloten in de volgende perioden:
• Voorjaar/Krokus/Carnaval: rond carnaval (één week; onderwijsregio’s bepalen);
• Mei: maandwissel april/mei (één week; landelijk bepaald);
• Zomer: tussen begin juli en begin september (zes (à zeven) weken; onderwijsregio’s bepalen);
• Herfst: tussen half oktober en eind oktober (één week; onderwijsregio’s bepalen);
• Kerst: laatste week december en eerste week januari (twee weken; landelijk bepaald).
Het Ministerie van Onderwijs geeft adviesdata voor de herfst-, de zomer- en de voorjaarsvakantie voor de
onderwijsvakantieregio’s.
Afwijking hierop is mogelijk voor de voorjaarsvakantie in de onderwijsvakantieregio Zuid (uitgezonderd de
provincie Zeeland) indien de adviesdata van de overheid afwijkt van de carnavalsperiode.
Naast de wettelijke feestdagen en de onderwijsvakanties kunnen de scholen, georganiseerd per
onderwijsvakantieregio, ook nog extra vrije dagen inplannen. Zo kan de meivakantie worden uitgebreid tot
twee weken. Ook zijn de scholen soms dicht op goede vrijdag en op de vrijdag na Hemelvaartsdag.


20. Defensie
In het proces dat Vlaanderen zich staatkundig losmaakt van België, zal het die delen van de voormalige
Belgi-sche defensie overnemen die in Vlaanderen aanwezig zijn, zoals kazernes, luchtmachtbases en
marineha-vens. Op het moment dat Vlaanderen en Nederland staatkundig de krachten bundelen, zal een
nieuwe krijgsmachtorganisatie moeten geformeerd worden.
Het verdient voorkeur om een vrijwillige legerdienst in te voeren voor alle mannen en vrouwen tussen de
leeftijd van 18 en 25 jaar, zodat landsverdediging goed ingebed wordt in een democratische samenleving.
Het ambtelijke hoofd van het Ministerie van Defensie is de secretaris-generaal.
De militaire leiding gebeurt door de Commandant der Strijdkrachten. Hij wordt bij zijn taken ondersteund
door de Defensiestaf.
Benoeming of ontslag van een militair gebeurt door de Minister van Defensie.
Enkel niet-politiek partijgebonden staatsburgers mogen militair worden.
Er dient te worden geïnvesteerd in hoogopgeleid en getraind personeel en in hoogtechnologisch materieel
om het land op een optimale manier te kunnen verdedigen tegen bedreigingen uit binnen- en buitenland,
en om te kunnen deelnemen aan missies met bevriende landen. Dit hoogtechnologisch materieel (of
onderdelen ervan in samenwerking met bevriende landen) kan worden geproduceerd in De Nederlanden.
Om het maatschappelijk weefsel te versterken en om het leger dichter bij de burger te brengen, kan er een
Nationale Garde worden opgericht.
Deze bestaat uit reservestrijdkrachten en wordt ingezet bij rampen ter ondersteuning van de hulpdiensten
of wordt gemobiliseerd om de reguliere strijdkrachten te ondersteunen.
De Nationale Garde valt onder de verantwoordelijkheid van de landmacht.
Militaire Inlichtingen- en VeiligheidsDienst (MIVD) valt onder de directe verantwoordelijkheid van de Mini-
ster van Defensie.

De Krijgsraad (militaire rechtbank) en de Marechaussee (= militaire politie + rijkswacht) vallen onder de
directe verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal.
De Minister van Defensie bespreekt de militaire zaken met de secretaris-generaal en de Commandant der
Strijdkrachten.

21. Sport en recreatie
Nederland en Vlaanderen kunnen van bij de Vlaamse onafhankelijkheidsverklaring onder één vlag
deelnemen aan de grote sporttoernooien.
De diverse sportbonden en -organisaties in Nederland en Vlaanderen moeten de weg naar sportieve
samen-werking weten te vinden na de onafhankelijkheidsverklaring van Vlaanderen. Competitief en
sportief leren Nederlanders en Vlamingen elkaar (nog) beter kennen.
Het uitbouwen van Nederlands-Vlaamse sportbonden en Nederlands-Vlaamse sportcompetities, door mid-
del van de toevoeging van de Vlaamse teams aan de Nederlandse sportcompetities, moet het doel worden.
De amateurafdelingen van de teamsporten worden regionaal ingedeeld zodat er zo veel mogelijk derby’s
zijn.
Aangezien voor amateurclubs de inkomsten van de kantines de belangrijkste bron van inkomsten is, is het
nodig opdat deze clubs een zo groot mogelijk aantal (streek)derby’s spelen.
De Vlamingen dienen een eigen Olympisch comité op te richten. Dit comité kan dan samenwerking zoeken
met het NOC*NSF. Deze organisatie zetelt met haar faciliteiten op het terrein Papendal in Arnhem en kan
worden uitgebouwd tot dé Nederlands-Vlaamse sportkoepel bij uitstek in de eenheidsstaat.

22. Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en leefomgeving
De sociale woningmarkt moet verbreed worden en de wachttijd voor woningzoekenden bekort.
Nederlandse en Vlaamse gemeenten moeten aangespoord worden om meer percelen bouwrijp te maken,
zodat aanne-mers en bouwbedrijven gestimuleerd worden om meer huizen te bouwen. Dit verlaagt de
prijzen op een te gespannen huizenmarkt. Het ideaal van een eigen huis dient voor meer mensen
(financieel) bereikbaar te worden.
Streekplannen in de Nederlandse en Vlaamse provincies moeten (meer) op elkaar afgestemd worden,
inzonderheid in Antwerpen, Limburg, Noord-Brabant, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Zeeland. De
inrichting van deze gebieden kan vooral vlot ter hand worden genomen als de Vlaams-Nederlandse grens
met haar beperkingen is verdwenen.
Onze leefomgeving verdient bijzondere aandacht om de natuurlijke biodiversiteit in Nederland en Vlaande-
ren te beschermen, te koesteren en (waar mogelijk) uit te breiden.
Het productieproces in onze economie dient over het gehele front innovatief en minder belastend te zijn
voor de leefomgeving.

23. Verkeer en waterstaat
Voor de categorisering van de wegen worden de verschillende types in Nederland (conform Duurzaam
Veilig ) gevolgd, zijnde
– Stroomweg
– Gebiedsontsluitingsweg (waaronder de stadsroutes )
– Erftoegangsweg .
De Nederlandse en Vlaamse autowegen dienen voorzien te worden van eenzelfde wegnummering.
Hierdoor dient over heel De Nederlanden de nummering van de wegen te worden herbekeken. De
Europese E-num-mers blijven gehandhaafd, de regering bepaalt de A-nummers, de provincies bepalen de
wegnummering van de secundaire wegen (N-nummers) en de steden bepalen de wegnummering van de
stadsroutes (S-num-mers).
De verkeersborden en -symbolen in Vlaanderen en Nederland blijven behouden zoals ze nu zijn tot er een
standaardisatie is in EU-verband (de EU werkt hieraan) van verkeersborden en -symbolen om kosten te
besparen.
Voor alle voertuigen komen in De Nederlanden Europese nummerplaten (zeven zwarte cijfers/letters op
een gele achtergrond) voorafgegaan door het EU-symbool (twaalf gele sterren op een blauwe achtergrond)
met tussen de sterren de landinitialen ‘DNL’.
Ongelukken ten gevolge van roekeloos rijgedrag zijn volledig voor rekening van de veroorzaker.
Het aantal spoorverbindingen tussen Nederland en Vlaanderen moet worden verhoogd.
De Benelux-trein moet een Nederlands-Vlaamse trein worden.
De IJzeren Rijn bij Roermond moet aangelegd worden om Antwerpen, de “tweede haven van het land”,
bereikbaar te maken voor het Duitse achterland. Deze aanleg moet niet langer ambtelijk en bestuurlijk
tegengehouden worden. De spoorverbinding dient een nationaal economisch belang, dus een Nederlands-
Vlaams belang. Daar waar de lijn stuit op aantasting van onze leefomgeving, moet ruimhartig gekeken
worden naar alternatieven, zoals ondertunneling of een ander tracé via bestaande spoorlijnen die dienen te
worden geëlektrificeerd en/of de spoorbundel dient te worden verdubbeld. De overheid kan dit prefinan-
cieren.
De verbindingen tussen de Randstad Holland (Amsterdam-Rotterdam-Utrecht) en de Vlaamse Ruit (Antwer-
pen-Brussel-Gent) moeten onderhouden worden met (verbrede) autosnelwegen en HST-
spoorverbindingen. De Eurostar onderhoudt de internationale verbindingen.
De Westerschelde dient eveneens het Nederlands-Vlaams economisch belang en moet om diezelfde reden
blijvend een bron van aandacht zijn voor onderhoud en uitdieping. Er moet ook gekeken worden naar de
loop van de Maas.
Alle verkeer rijdt/vaart aan de rechterkant van de rijbaan, spoorweg of waterloop.

24. Media

Het telefoonnetwerk van Nederland en Vlaanderen dient dusdanig heringericht te worden dat de landen
onder één landnummer, bijvoorbeeld 31, te bereiken zijn.
De netnummers moeten aangepast worden, net zoals de mobiele netwerken met eigen toegangscodes.
Achter alle websites van De Nederlanden, uitgezonderd internationale bedrijven/instellingen, komt de
exten-sie ‘.nl’.
Inzake de audiovisuele media kan de VRT een openbare omroep blijven en dient zij haar zendtijd met de
andere openbare omroepen van De Nederlanden te delen (via NPO3, dat zich zal richten op de regio’s) of
dient zij een commerciële omroep te worden.
Alle commerciële landelijke radio- en televisieomroepen van De Nederlanden dienen op zowel de
Nederlandse als de Vlaamse ether te komen zodat ze echt landelijk kunnen uitzenden opdat Nederlanders
en Vlamingen elkaars gesproken taal en cultuur ontdekken.
Elke regio heeft haar eigen radio- en televisieomroep. Daarnaast heb je ook nog de lokale radio’s.
De huidige uitgaven van de geschreven pers blijven behouden in hun huidige vorm.
De media dient vrij, politiek neutraal, politiek onafhankelijk en objectief te zijn in het informeren van de
bevolking. De media is ook verplicht om de bevolking correct en volledig te informeren.
Justitie waakt over de persvrijheid.
Nederland en Vlaanderen zullen voor computers, smartphones, … eenzelfde standaardtoetsenbord hebben,
namelijk QWERTY.
Alle Android-toestellen zullen in Nederland en Vlaanderen eenzelfde Android-versie ontvangen.

25. Veiligheid, justitie, asiel, migratie en integratie
In het staatkundig verband van Nederland en Vlaanderen is de rechtspraak onafhankelijk en in het Neder-
lands.
Rechtszaken kunnen ook worden behandeld en uitgesproken in het Fries (in Friesland) en dit op éénmalig
verzoek van de beklaagde(n) voor de start van het proces.
Enkel niet-politiek partijgebonden staatsburgers met als opleiding jurist mogen als rechter zetelen.
Op nationaal niveau zijn er twee rechtbanken: het Hooggerechtshof en het Rekenhof.
• bevoegdheden Hooggerechtshof (heeft 8 leden):
 ziet toe op het goede verloop van de verkiezingen (Europees, landelijk, provinciaal en gemeentelijk),
keurt de verkiezingen op hun grondwettelijkheid (kan hertellingen/herverkiezingen uitspreken),
bekrachtigt de verkiezingsuitslagen en spreekt straffen uit bij onregelmatigheden
 ziet toe op de naleving van de grondwet van De Nederlanden door de regering, de Eerste Kamer, de
Tweede Kamer, de provincies en de gemeenten/districten, en door de arresten van het Rekenhof, de
regionale rechtbanken en de kantonrechtbanken
 arbitreert de conflicten tussen diverse overheden

 verleent zijn verplicht advies over voorstellen van wetten en uitvoeringsbesluiten uitgaande van de
diverse overheden indien deze niet ingaan tegen de wetten van De Nederlanden
 is cassatierechter voor de arresten in strafzaken van de regionale rechtbanken in zoverre deze vragen
van nationaal recht oproepen;
• bevoegdheden Rekenhof (heeft 6 leden):
 ziet toe op de financiële integriteit van de overheid. Daartoe heeft het uitgebreide bevoegdheden
(o.a. toezicht op de partijfinancieringen en – op verzoek – op de financiële haalbaarheid van een
verkiezingsprogramma)
De financiering van de politieke partijen mag niet gebeuren met geld gecreëerd uit illegale
activiteiten of van buitenlandse origine. Bij veroordeling door het Rekenhof wordt de partij verplicht
zich te ontbinden, dienen alle leden hun zetel/mandaat af te staan en mogen de leden zich nooit
meer verkiesbaar stellen
 treedt op als revisor van de begrotingen van de overheid. Geen enkel bestuur, van de regering tot
het gemeente/districtsbestuur, kan belastingen innen alvorens de begroting goedgekeurd werd. Met
het oog daarop somt de grondwet enkele richtlijnen op die het Hof zelf verder kan verfijnen. Daarop
aansluitend vernietigt het Hof iedere overheidsbeslissing die een niet te verantwoorden weerslag
heeft op de goedgekeurde begroting. Gezien dit alles er is ter bescherming van de belastingbetaler,
heeft ieder burger een rechtstreeks vorderingsrecht bij het Rekenhof
 fungeert als strafrechtbank voor politici/politieke partijen die zich schuldig maakten aan het misbruik
van overheidsfondsen. Het is het auditoraat van het Rekenhof dat instaat voor de opsporing. Bij een
veroordeling door het Rekenhof dienen politici/alle leden van de partij hun zetel/mandaat af te staan
en mogen politici/partijen zich niet verkiesbaar stellen bij de eerstvolgende verkiezing(en)
 is cassatierechter voor de arresten in belastingzaken van de regionale rechtbanken in zoverre deze
vragen van nationaal recht oproepen
 een niet-rechterlijke, maar uiterst belangrijke taak, is het vastleggen van de verdeelsleutel volgens
dewelke de financiële bijdragen van de provincies aan de regering en de transfers tussen de provin-
cies onderling worden berekend.
Benoeming of ontslag van een rechter gebeurt door de Minister van Veiligheid en Justitie.
Uit de leden van het Hooggerechtshof wordt de voorzitter verkozen. Elk lid kan zich verkiesbaar stellen. De
nodige stemronden worden gehouden waarbij telkens de kandidaat met het minste aantal stemmen afvalt,
tot een lid een gewone meerderheid heeft bekomen. Alle stemmingen zijn anoniem.
Bij vakantie of ziekte neemt de eerstvolgende kandidaat de taken waar.
Bij ontslag of overlijden neemt de eerstvolgende kandidaat de taken waar tot er een vervanger werd
aangeduid.
Eén of meerdere ‘veiligheidsregio’s vormen een ‘gerechtelijk arrondissement’, het grondgebied van een
‘rechtbank’ met vestigingsplaatsen (voor strafzaken, civiele zaken, kantonzaken en belastingzaken) en
zittingsplaatsen (voor kantonzaken).
Meerdere ‘gerechtelijke arrondissementen’ vormen een ‘ressort’, het grondgebied van een ‘gerechtshof’.
De gerechtshoven (meervoudige kamer van max. 4 rechters) behandelen het hoger beroep van de arresten
van de rechtbanken.
Het lid van een rechtbank of gerechtshof benoemt of ontslaat zelf zijn/haar administratief personeel.
Enkel niet-politiek partijgebonden staatsburgers mogen politieagent worden.
Benoeming of ontslag van een politieagent gebeurt door de Minister van Veiligheid en Justitie.

Er zijn landelijke eenheden en regionale eenheden (één eenheid per ‘veiligheidsregio’). Elke regionale een-
heid is verdeeld in districten en elk district kent diverse basisteams.
Aan het hoofd van de politie staat de Eerste Hoofdcommissaris dewelke ook de landelijke eenheden leidt.
De voorzitter van het Hooggerechtshof en de Eerste Hoofdcommissaris bespreken de juridische zaken en de
politiezaken met de Minister van Veiligheid en Justitie.
Reeds nu worden Belgische veroordeelden geplaatst in Nederlandse gevangenissen. Deze samenwerking
kan door Vlaanderen overgenomen worden.
Bij het vormen van de gedecentraliseerde eenheidsstaat valt het gevangeniswezen onder de verantwoorde-
lijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie.
Er wordt gestreefd dat zo veel mogelijk gevangenen van buitenlandse origine hun straf uitzitten in het land
van herkomst, hiervoor dienen de nodige overeenkomsten te worden opgesteld. Indien dit niet kan, blijven
zij in De Nederlanden en worden ze onmiddellijk na het uitzitten van de straf uitgewezen en de legale
toegang tot De Nederlanden ontzegd.
Een crimineel die in zowel De Nederlanden als in andere landen werd veroordeeld, dient zijn straf uit te
zitten in het land, met een samenwerkingsovereenkomst met De Nederlanden, waar deze crimineel de
zwaarste straf heeft gekregen. Indien deze crimineel van buitenlandse origine is, wordt crimineel na het
uitzitten van zijn straf (uitgezet en) de legale toegang tot Nederlanden ontzegd.
Algemene Inlichtingen- en VeiligheidsDienst (AIVD) valt onder de directe verantwoordelijkheid van de Mini-
ster van Binnenlandse Zaken.
Religies (of een strekking ervan) die de normen, waarden en wetten van De Nederlanden niet respecteren,
worden verboden.
Per regio is er een gemeenschappelijke meldkamer voor de hulpdiensten en een regionaal brandweerkorps.
Om de staatsburgers van De Nederlanden eenvoudig te kunnen beschermen, kan er worden gewerkt met
kleurcodes en deze wordt uitgegeven per veiligheidsregio (binnenland) of per land (buitenland).
Voor weerwaarschuwingen voor het binnenland hebben de kleurcodes volgende betekenissen:
– groen: niet gevaarlijk weer
– geel: potentieel gevaarlijk weer, maar niet ongewoon (wees waakzaam)
– oranje: gevaarlijk weer, ongewone verschijnselen (als je niet de baan op moet, blijf thuis)
– rood: zeer gevaarlijk weer, uitzonderlijk intense verschijnselen (blijf thuis).
Als voorbeeld kunnen deze kleurcodes voor volgende thema’s volgende betekenis hebben:
Veiligheidswaarschuwingen binnenland:
– groen: alles is veilig
– geel: kans op dreiging, wees waakzaam
– oranje: grote kans op dreiging, vermijd drukke plaatsen, of vrijwillige evacuatie van de regio door een
gewapend conflict
– rood: acute dreiging, blijf thuis, of verplichte evacuatie van de regio door een gewapend conflict
– landelijk oranje: staatsburgers van andere landen mogen De Nederlanden niet betreden
– landelijk rood: staatsburgers van andere landen worden gevraagd om De Nederlanden onmiddellijk te
verlaten en mogen De Nederlanden niet betreden.
Gezondheidswaarschuwingen binnenland:
– groen: geen gezondheidscrisis
– geel: een gezondheidscrisis zonder overbelasting van de ziekenhuizen 

– oranje: een gezondheidscrisis met lichte overbelasting van de ziekenhuizen
– rood: een gezondheidscrisis met zware overbelasting van de ziekenhuizen
– landelijk oranje: staatsburgers van andere landen mogen De Nederlanden niet betreden
– landelijk rood: staatsburgers van andere landen worden gevraagd om De Nederlanden onmiddellijk te
verlaten en mogen De Nederlanden niet betreden.
Veiligheid buitenland:
– groen: het land is veilig en je hebt volledige vrijheid
– geel: het land is veilig maar je vrijheden zijn beperkt
– oranje: je veiligheid kan in een deel van het land niet worden gewaarborgd, reizen naar het land wordt
afgeraden
– rood: je veiligheid kan in het hele land niet worden gewaarborgd, reizen naar het land is verboden.
Regimes buitenland:
– groen: het regime van het land heeft geen totalitaire/autocratische tendensen of er zijn geen tendensen
tot een gewapend conflict
– geel: het regime van het land heeft totalitaire/autocratische tendensen of er zijn tendensen tot een
gewapend conflict
– oranje: het land heeft een hybride totalitair/autocratisch regime of er is kans op een gewapend conflict,
samenwerkingsakkoorden en handelsverdragen (en ontwikkelingshulp) met deze landen zijn
verminderd, de ambassade van De Nederlanden is nog maar voor de helft van de tijd open, leden van
deze regimes worden verboden om De Nederlanden te betreden tenzij met een diplomatiek visum, de
ambassades van deze landen zijn verplicht om minimum twee dagen per week te sluiten (inclusief hun
mogelijke bondge-noten)
– rood: het land heeft een effectief totalitair/autocratisch regime of er is een acute dreiging tot/het is ef-
fectief in een gewapend conflict, samenwerkingsakkoorden en handelsverdragen (en ontwikkelingshulp)
met deze landen zijn opgeschort, de ambassade van De Nederlanden is gesloten, leden van deze
regimes worden verboden om De Nederlanden te betreden, de ambassades van deze landen zijn
verplicht te slui-ten (inclusief hun mogelijke bondgenoten).
De kleurcodes worden vastgesteld door het Ministerie van Veiligheid en Justitie, indien nodig in overleg
met andere ministeries en adviserende overheidsinstellingen.
Samenwerkingsakkoorden en handelsverdragen met en ontwikkelingshulp naar paramilitaire,
extremistische en terroristische organisaties zijn verboden.
Leden van deze organisaties moeten De Nederlanden verlaten en mogen De Nederlanden niet betreden.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee soorten immigranten: de gewone immigrant en de asielzoeker.
De asielzoeker kan je ook onderverdelen in de gewone asielzoeker en de doorreizende asielzoeker.
De gewone immigrant dient
– zich te registreren in de gemeente of het district waar men in De Nederlanden wilt gaan wonen en dit
binnen de vijf werkdagen na het betreden van De Nederlanden, anders is men illegaal in De
Nederlanden wat automatisch leidt tot uitwijzing naar het land van herkomst;
– zelf voor een woonst en een inkomen te willen zorgen (indien men geen inkomen heeft, krijgt men bij-
stand).
– het Nederlands te erkennen en het bereid zijn deze taal te leren;
– de culturen, tradities, normen en waarden van De Nederlanden te erkennen;
– de wetten van De Nederlanden te eerbiedigen;
– niet-valse identiteitsdocumenten en het nodige budget bij zich te hebben om in De Nederlanden te
verblijven, anders wordt men gezien als een asielzoeker;
– mag niet veroordeeld zijn voor criminele feiten in het land van herkomst;
– mag niet internationaal geseind staan voor criminele feiten.

Men krijgt een tijdelijke verblijfsvergunning welke om het jaar dient te worden vernieuwd. Bij geen
integratie of geen moeite doen om te integreren, dient de tijdelijke verblijfsvergunning te worden
vernieuwd om de zes maanden. Indien men dan nog niet wilt integreren of zelfs geen moeite doet, krijgt
men geen verblijfs-vergunning meer.
Een arbeidsvergunning wordt gekoppeld aan de verblijfsvergunning (geen arbeidsvergunning (geen
mogelijk-heid om te werken) en geen verblijfsvergunning (geen mogelijkheid tot huren/kopen van een
woning)).
Bij een volledige integratie krijgt men een permanente verblijfsvergunning.
Als men geen verblijfsvergunning krijgt of de verblijfsvergunning wordt ingetrokken, verliest men het recht
op bijstand, wordt men uitgewezen en wordt de legale toegang tot De Nederlanden ontzegd.
Een asielzoeker op doorreis
– dient zich te registreren in een asielzoekerscentrum binnen de vijf werkdagen na het betreden van De
Nederlanden;
– is verplicht te overnachten in een open asielzoekerscentrum;
– is het verboden om overlast en criminele feiten te plegen;
– mag niet veroordeeld zijn voor criminele feiten in het land van herkomst;
– mag niet internationaal geseind staan voor criminele feiten;
– is verplicht De Nederlanden te verlaten binnen de tien kalenderdagen.
Bij het overtreden van deze voorwaarden wordt de asielzoeker uitgewezen en wordt de legale toegang tot
De Nederlanden ontzegd.
Een asielzoeker die wenst in De Nederlanden te blijven
– dient zich te laten registreren in een asielzoekerscentrum binnen de vijf werkdagen na het betreden van
het grondgebied van De Nederlanden;
– is het verboden om overlast te plegen en criminele feiten te plegen;
– is het verboden de waarheid omtrent de asielaanvraag te verzwijgen;
– het land van herkomst mag niet geregistreerd staan als veilig;
– mag geen asiel te hebben aangevraagd in een andere lidstaat van de Europese Unie;
– mag niet veroordeeld zijn voor criminele feiten in het land van herkomst;
– mag niet internationaal geseind staan voor criminele feiten;
– is verplicht te verblijven in een open asielzoekerscentrum tot de asielaanvraag is behandeld.
Bij het overtreden van deze voorwaarden wordt de asielzoeker uitgewezen en wordt de legale toegang tot
De Nederlanden ontzegd.
Bij het verkrijgen van asiel dient men
– zelf voor een woonst en een inkomen te willen zorgen (indien men geen inkomen heeft, krijgt men bij-
stand);
– het Nederlands te erkennen en het bereid zijn de taal te leren;
– de culturen, tradities, normen en waarden van De Nederlanden te erkennen;
– de wetten van De Nederlanden te eerbiedigen;
– indien men gezinsleden naar De Nederland wilt laten overkomen, moet men de reis en het onderhoud
van deze gezinsleden zelf bekostigen.
Men krijgt een tijdelijke verblijfsvergunning welke om het jaar dient te worden vernieuwd. Bij geen
integratie of geen moeite doen om te integreren, dient de tijdelijke verblijfsvergunning te worden
vernieuwd om de zes maanden. Indien men dan nog niet wilt integreren of zelfs geen moeite doet, krijgt
men geen verblijfs-vergunning meer.
Een arbeidsvergunning wordt gekoppeld aan de verblijfsvergunning (geen arbeidsvergunning (geen
mogelijk-heid om te werken) en geen verblijfsvergunning (geen mogelijkheid tot huren/kopen van een
woning)).
Bij een volledige integratie krijgt men een permanente verblijfsvergunning.

Als men geen verblijfsvergunning krijgt of de verblijfsvergunning wordt ingetrokken, verliest men het recht
op bijstand, wordt men uitgewezen en wordt de legale toegang tot De Nederlanden ontzegd.
Indien men geen asiel krijgt, wordt men uitgewezen en wordt de legale toegang tot De Nederlanden
ontzegd.
Asielzoekers die De Nederlanden illegaal betreden, worden automatisch uitgewezen!
Personen die worden uitgewezen, worden tot de uitwijzing opgesloten in een gesloten
asielzoekerscentrum. Zij dienen de kosten voor de terugkeer zelf te betalen, bij de onmogelijkheid valt dit
ten laste van de staatsbe-groting.
Minimum zeven jaar na het verkrijgen van een permanente verblijfsvergunning kan men het
staatsburger-schap aanvragen.
Men krijgt als kind het staatsburgerschap als volgt .
Men heeft stemrecht nà het bekomen van het staatsburgerschap van De Nederlanden en men moet
mini-mum 18 jaar zijn!
Men kan zich pas aansluiten bij een partij minimum vijf jaar nà het bekomen van het staatsburgerschap
van De Nederlanden en men moet minimum 15 jaar zijn!
Men kan zich verkiesbaar stellen of zelf een partij oprichten minimum tien jaar nà het bekomen van het
staatsburgerschap van De Nederlanden en men moet minimum 21 jaar zijn!
Het staatsburgerschap van De Nederlanden wordt ingetrokken/niet verkregen bij
– het niet volledig nemen van afstand van de autoriteiten van het land van herkomst;
– het plegen van fraude tijdens de naturalisatieprocedure;
– het vrijwillig deelnemen in een krijgsmacht van een buitenlandse staat, en deze krijgsmacht vecht tegen
De Nederlanden of één van de bondgenoten van De Nederlanden;
– het hebben van een lidmaatschap bij een paramilitaire (direct of indirect verbonden met een totalitair/
autocratisch regime, of autonoom), een extremistisch of een terroristische organisatie;
– het plegen van spionage- en/of sabotagedaden in De Nederlanden of bij één van de bondgenoten van
De Nederlanden in opdracht van een buitenlandse staat, een paramilitaire, een extremistisch religieuze
of een terroristische organisatie;
en wordt men (uitgewezen en) de legale toegang tot De Nederlanden ontzegd.
Dit is ook van toepassing indien men de dubbele nationaliteit heeft!
Opmerking:
– indien 2 of meerdere volwassen personen van een familie of kinderen, in opdracht van volwassenen,
van een familie criminele feiten plegen, of indien 2 of meerdere volwassen personen van een familie
zich niet wilt integreren in onze maatschappij, wordt de hele familie uitgewezen en de legale toegang
tot De Neder-landen ontzegd;
– een uitwijzing heeft bij voorkeur naar het land van herkomst. Indien dit niet kan, gebeurt de uitwijzing
naar één van de buurlanden van of een land in de regio van het land van herkomst dat veilig is voor
inwoners van het land van herkomst. Landen die hun uitgewezen onderdanen niet terugnemen, krijgen
vermindering of opschorting van handelsvoordelen en samenwerkingsverbanden (en
ontwikkelingshulp).

26. Sociaal

Er dient een nieuw systeem van sociale zekerheid te worden ontwikkeld dat bestaat uit een samenvoeging
is van de Belgische sociale zekerheid en de Nederlandse sociale zekerheid zodat het leesbaar is door de
bevol-king van Nederland en Vlaanderen.
De sociale zekerheid moet efficiënt, solidair en voor de overheid en de burger betaalbaar zijn. Indien
noodza-kelijk dient een deel van de sociale zekerheid te worden uitgevoerd door de privésector.
De uitkeringen moeten aangepast zijn aan de inflatie en de levensduurte om armoede te vermijden.
Migranten hebben pas toegang tot de sociale zekerheid indien men een permanente verblijfsvergunning
heeft en daarna ook nog eens minimum één kalenderjaar te hebben gewerkt. Het bedrag van de uitkering
wordt bepaald op basis van het aantal werkjaren sinds de toegang tot de sociale zekerheid werd
toegestaan.
Bij het hebben van de dubbele nationaliteit wordt het bedrag van de uitkering verminderd met het bedrag
dat men ontvangt uit het buitenland. Wanneer het bedrag van de uitkering uit het buitenland het bedrag
van de uitkering overschrijdt, wordt er geen uitkering uitbetaald.
De sociale woningbouw en zorgverstrekking moeten zo worden georganiseerd om de wachtlijsten zo snel
mogelijk weg te werken. Voor het toekennen van sociale woningen en voor sociale bemiddelingen moet
ook een systeem uitgewerkt worden dat dicht bij de burger staat.
De nodige maatregelen dienen te worden genomen om het onterecht toekennen van een sociale woning te
vermijden.
Ook het gebrek aan donororganen moet worden aangepakt door het wettelijk verplichten van de donatie
van organen tenzij bij bezwaar om medische, religieuze of ideologische redenen.
Alle uitkeringen worden gegeven door het UWV (Uitvoeringinstituut Werknemersverzekeringen).
In Vlaanderen is dit nu deels door de vakbonden en deels door de sociale zekerheid.
De Vlaamse ziekenfondsen zijn reeds zorgverzekeringsinstellingen en mogen dit blijven.
Het Nederlandse pensioenstelsel wordt overgenomen (voor meer info klik hier ), welke behoort tot één van
de beste van Europa.
Bij de hereniging worden voor de Vlaamse gepensioneerden en de oudere werknemers een
overgangsperio-de ingesteld. Werkgevers en jongere werknemers hebben een pensioenfonds.
Vakbonden, ziekenfondsen en middenveldorganisaties dienen niet-politiek partijgebonden te zijn (de
Vlaam-se vakbonden, ziekenfondsen en middenveldorganisaties krijgen een termijn opgelegd om dit te
realiseren, in tussentijd mogen directieleden van deze organisaties niet zetelen in de regering, een college
van gedeputeerde staten, een college van burgemeester en schepenen/wethouders, een districtscollege of
een bestuurscollege tenzij men ontslag neemt als directielid; de Nederlandse vakbonden, ziekenfondsen en
mid-denveldorganisaties zijn niet meer partijgebonden sinds de 1970s), dienen een juridisch statuut te
hebben waarbij zij verantwoordelijk zijn voor de daden van hun leden en de financiering mag niet gebeuren
met geld gecreëerd uit illegale activiteiten of van buitenlandse origine.
Werkgevers, inclusief overheidsinstellingen, met 50 of meer werknemers houden sociale verkiezingen om
werknemersvertegenwoordigers te kiezen binnen de overlegorganen van de werkgever, met name het
comité voor preventie en bescherming op het werk en de ondernemingsraad.
Het sociaal overleg tussen werknemersorganisaties en vakbonden, indien nodig neemt de overheid deel
aan het overleg, vindt plaats binnen de Sociaal-Economische Raad ( SER ).

27. Taalbeleid
De Taalunie dient verder gaande bevoegdheden te krijgen en omgevormd te worden tot een Nederlandse
academie zoals de “Académie Française”, die in de EU de bescherming van de Nederlandse taal moet
afdwin-gen.
De Nederlandse taal moet in de grondwet worden verankerd en geborgd als de belangrijkste taal van De
Nederlanden. De standaardtaal is verplicht voor overheid en onderwijs.
Dit betekent dat in geen enkele taal besloten, rechtgesproken of onderwezen mag worden dan in de
Nederlandse taal. Ook de universiteiten zijn schatplichtig aan het Nederlands.
Colleges mogen uitsluitend in het Nederlands worden gegeven.
Op de Antillen, waar ook Engels en Papiaments wordt gesproken, en in Brussel, waar ook Frans wordt
gesproken, geldt het Nederlands als algemene voertaal.
De verengelsing van Schiphol, het Engels een officiële taal maken in Amsterdam, het feit dat het overgrote
deel van de Masters op universiteiten in Nederland alleen in het Engels is en de verfransing van de Vlaamse
Rand rond Brussel geven het al aan: het Nederlands staat in bepaalde gebieden onder druk.
In De Nederlanden moet dan ook in het gehele land de Vlaamse taalwetgeving worden ingevoerd.
De Vlamingen moeten bijvoorbeeld tot de dag van vandaag strijden voor het behoud van het Nederlands
binnen Belgisch staatsverband, met name in de Vlaamse rand rond Brussel.
Het is dan buitengewoon tegenstrijdig om het huidige slappe Nederlandse beleid omtrent het Nederlands
te moeten aanschouwen.
Wij vinden het namelijk van groot belang dat je op een nationale luchthaven in je eigen taal naar het
vliegtuig geleid wordt, net zoals in elke andere luchthaven ter wereld. Het belachelijk is dat Engels – een
buitenlandse taal – een officiële taal wordt in een Nederlandse stad en het belangrijk is dat je hoger
onderwijs kan volgen in je eigen taal. Taal maakt namelijk zonder meer deel uit van je eigen cultuur en
identiteit waar niet slordig mee dient te worden omgesprongen.
Onze standpunten die daaruit voortkomen zijn
• het Nederlands komt als officiële taal in de grondwet te staan.
• het Fries (in Friesland) en de Nederlandse gebarentaal worden erkend als minderheidstaal. Het Fries en
het Nederlands zijn de officiële talen in Friesland. Friese burgers hebben het recht om hun eigen taal
(Nederlands of Fries) te gebruiken, bijvoorbeeld in de rechtszaal of in contact met de
provincie/gemeente;
• op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba zijn naast het Nederlands ook het Papiaments en het Engels erkend
als officiële talen. Deze mogen gebruikt worden in het onderwijs, het contact met de overheid en in de
rechts-spraak;
• het Limburgs, het Nedersaksisch en het (Oost- en West-)Vlaams worden erkend als streektalen;
• het Jiddisch en het Sinti-Romanes worden erkend als non-territoriale talen;
• het verbieden overheidsinformatie te verstrekken in een andere taal dan het Nederlands om buitenlan-
ders te stimuleren Nederlands te leren met als handreiking van de overheid: buitenlanders die hier
komen wonen een gratis cursus Nederlands te geven in het eerste jaar dat men in De Nederlanden
verblijft. Na het eerste jaar wordt de cursus betalend;
• het afschaffen van het tweetalige onderwijs behalve in Friesland (Fries en Nederlands). Bij het toetreden
van Wallonië en Luxemburg is er Franstalig onderwijs in Wallonië (met het Nederlands als tweede taal) en Luxemburgs onderwijs in Luxemburg (met het Nederlands, het Duits en het Frans als tweede, derde
en vierde taal);
• het daadwerkelijk tweetalig (Nederlands-Engels) maken van Schiphol. Nu is ongeveer 80 % van de infor-
matie enkel in het Engels wat een vreemde situatie is;
• het verplicht stellen van het Nederlands als voertaal op universiteiten, behalve bij internationale studies
als bijvoorbeeld lucht- & ruimtevaarttechnologie;
• ook voor de bewegwijzering op de wegen wordt er gebruik gemaakt van de Vlaamse taalwetgeving,
waarbij de Nederlandse naam van een buitenlandse plaats eerst vermeld wordt en daarna in de lokale
taal, bijvoorbeeld: Aken (Aachen) en Rijsel (Lille).
We willen tevens dat er intensievere economische – en culturele (de Nederlandse Taalunie doet dat nu al
deels) – samenwerking komt met Suriname waar Nederlands door 62 % van de bevolking als eerste taal
wordt gesproken.
We streven eveneens naar die samenwerking met Zuid-Afrika en Namibië waar het Afrikaans, de
dochtertaal van het Nederlands, gesproken wordt. In Namibië is het Afrikaans zelfs de lingua franca en
wordt door 75 % van de bevolking als eerste, tweede en soms zelfs als derde taal gesproken.
Indien Wallonië en Luxemburg toetreden, worden het Frans, het Luxemburgs en het Duits ook erkend als
minderheidstalen.
Het Frans en het Nederlands worden dan de officiële talen in Wallonië, waarbij het Frans kan worden
gebruikt in de rechtszaal en voor contacten met de provincie/gewest/gemeente.
Het Frans, het Duits, het Luxemburgs en het Nederlands worden dan de officiële talen in Luxemburg,
hierdoor kan het Frans, het Duits en het Luxemburgs worden gebruikt in de rechtsspraak en voor contacten
met provincie/gemeente.
Het Waals, het Picardisch en het Champenois worden erkend als streektalen.

28. Onderwijs, cultuur en wetenschap
De Nederlandse en Vlaamse universiteiten moeten meer samenwerken en waar deze samenwerking al
bestaat, zoals tussen de universiteiten van Hasselt (Vlaams Limburg) en Maastricht (Nederlands Limburg),
te versterken en, zo mogelijk, te fusioneren.
Ook hogescholen, middelbare en basisscholen moeten aangemoedigd worden om contacten met elkaar te
leggen door middel van scholierenuitwisselingen en scholierenwedstrijden.
Zo mogelijk kunnen Nederlandse en Vlaamse omroepen scholierenkwissen organiseren en deze uitzenden.
Zulke programma’s bevorderen de contacten en zij maken de jongeren bekend met elkaars cultuur.
Het beste van het Nederlandse en het Vlaamse onderwijs wordt genomen om te komen tot een
transparant en kwaliteitsvol onderwijs. Het streefdoel is het halen van een score van minimum 80 % in de
PISA-studie van de OESO. Specialisten moeten dit verwezenlijken.
Afgestudeerden dienen een goede kennis te hebben en de belangrijkste talen voor onze economie, in het
bijzonder het Nederlands, goed kunnen lezen, schrijven, spreken en vooral begrijpen.
In december en in mei/juni zijn de tentamens/examens en in juni/juli is de herkansing/tweede zit.
Leerkrachten/docenten dienen in de klas volledig neutraal te zijn en zich enkel bezig te houden met de
overdracht van kennis en vaardigheden aan hun leerlingen/studenten.

Diploma’s van een onderwijsinstelling mogen niet worden ‘afgekocht’. Elke student dient een diploma te
verdienen op basis van hun eigen kunnen/kennis, niet omdat de familie van een student rijk is.
Buitenlandse studenten krijgen een tijdelijke verblijfsvergunning voor de periode van het schooljaar. Niet-
EU-studenten dienen ook een studentenvisum hebben.
Om deze vergunning te bekomen:
– dient men de registratie aan een onderwijsinstelling voor te leggen samen met de nodige bewijzen dat
ze een erkende studentenwoning kunnen huren of logeren bij een erkend gastgezin
– is het verboden om overlast te plegen en criminele feiten te plegen;
– de culturen, tradities, normen en waarden van De Nederlanden te erkennen;
– de wetten van De Nederlanden te eerbiedigen;
– niet-valse identiteitsdocumenten bij zich te hebben;
– geen lidmaatschap te hebben bij een paramilitaire (direct of indirect verbonden met een totalitair/ auto-
cratisch regime, of autonoom), een extremistisch religieuze of een terroristische organisatie;
– mag men niet veroordeeld zijn voor criminele feiten in het land van herkomst;
– mag men niet internationaal geseind staan voor criminele feiten.
Een arbeidsvergunning wordt gekoppeld aan een verblijfsvergunning, zodat studenten ook kunnen werken.
Bij het overtreden van deze voorwaarden wordt de student uitgewezen en wordt de legale toegang tot De
Nederlanden ontzegd.
Na de splitsing van België worden de huidige Franstalige scholen op middellange termijn omgevormd tot
Nederlandstalige scholen om het Nederlands in Brussel te versterken zodat Brussel op lange termijn terug
een Nederlandstalige stad wordt.
In Friesland zijn scholen verplicht scholieren het vak Fries aan te bieden, tenzij de provincie een school
(gedeeltelijke) toestemming heeft om geen Fries te geven. Verder mogen Friese scholen het Fries naast het
Nederlands ook als voertaal in het onderwijs gebruiken. Het vak Fries kan een onderdeel zijn van het eind-
examenpakket voor leerlingen in het voortgezet onderwijs.
Basisscholen en middelbare scholen in de provincies Oost-Limburg en West-Limburg mogen het vak
Limburgs geven.
Basisscholen en middelbare scholen in de provincies Drenthe, Friesland, Gelderland, Groningen en
Overijssel mogen het vak Nedersaksisch geven.
Basisscholen en middelbare scholen in de provincies Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen mogen het vak
Vlaams geven.
Indien Wallonië en Luxemburg toetreden zijn de Waalse en Luxemburgse scholen verplicht respectievelijk
het vak Frans of het vak Luxemburgs aan te bieden, tenzij de provincie een school (gedeeltelijke) toestem-
ming heeft om geen Frans/Luxemburgs te geven. Verder mogen scholen het Frans/Luxemburgs naast het
Nederlands ook als voertaal in het onderwijs gebruiken. Het vak Frans/Luxemburgs kan een onderdeel zijn
van het eindexamenpakket voor leerlingen in het voortgezet onderwijs.
Basisscholen en middelbare scholen mogen in hun respectievelijke gebieden het vak Waals/Picardisch/Gau-
mais/Champenois geven.
Internationale, buitenlandse, ambassadescholen, gebedshuizen en cultuurhuizen die de normen, waarden
en wetten van De Nederlanden niet respecteren, worden verboden. Enkel in de door de overheid erkende
scholen mogen les geven, in de door de overheid erkende gebedshuizen mogen er erediensten
plaatsvinden en in de door de overheid erkende cultuurhuizen mogen cultuurevenementen plaatsvinden.

Organisaties en geloofsgemeenschappen dienen zelf scholen, gebedshuizen en cultuurhuizen te financieren
en kunnen indien nodig subsidies aanvragen. Buitenlandse geldsteun, dit om ondermeer niet-
democratische invloeden te bestrijden, en financiering via illegale activiteiten zijn verboden.
Nederlandse en Vlaamse wetenschappers moeten in de gelegenheid gesteld worden om elkaar te
ontmoeten en elkaar te helpen en te ondersteunen om een nieuwe innovatieve koers in Nederland-
Vlaanderen uit te stippelen.

29. Klimaat, energie en dierenwelzijn
Wij erven de wereld van onze ouders en verbinden ons ertoe om deze ongeschonden of verbeterd door te
geven aan onze kinderen.
De nodige maatregelen dienen genomen te worden om de vervuiling in de lucht, in het water en in de
grond onder de Europese drempelwaarden te krijgen en te houden.
Deze maatregelen moeten betaalbaar zijn voor alle overheden, alle ondernemingen en alle inwoners van
De Nederlanden. Alsook mogen deze maatregelen de economie niet schaden, wél mag het een
toegevoegde waarde aan de economie zijn of de economie versterken.
Ook zijn de nodige maatregelen nodig om de overlast van hevige regenbuien op te kunnen vangen door
ondermeer de aanleg van bufferbekkens, het nemen van erosiebestrijdingsmaatregelen, te ontharden en
de vroegere loop (het meanderen) van rivieren en beken te herstellen waar mogelijk.
Eveneens dienen de bestaande parken en bossen te worden uitgebreid, bijkomende parken aangelegd,
bijkomende bossen aangeplant en de woongebieden vergroend.
Wij gaan voor energie-onafhankelijkheid en een relatieve off-grid. Dit doen we door de nodige energie-
capaciteit te produceren via kernsplitsing (het veiligere thorium, en in mindere mate uranium), kernfusie en
aardgas, en via hernieuwbare (herbruik van gassen afkomstig uit de verbranding van afval en biomassa) en
duurzame (zon, wind, warmtepompen, waterstof) energiebronnen. Het te veel aan energie kan worden
geëxporteerd naar het buitenland.
Per regio dient er minimum één dierenziekenhuis te zijn.
Dit ziekenhuis mag geïntegreerd zijn in een gewoon ziekenhuis als een aparte afdeling, met een eigen
ingang.
Houders, verkopers en fokkers van huisdieren dienen zich aan de regels te houden over bijvoorbeeld
verzorging. Enkel dieren die opgenomen zijn in de huis- en hobbydierenlijst mogen als huisdier worden
gehouden.
Regels voor het houden van huisdieren vindt u hier:
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/dierenwelzijn/dierenwelzijn-huisdieren
Regels voor het houden van landbouwdieren vindt u hier:
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/dierenwelzijn/dierenwelzijn-productiedieren
Regels voor het houden van dierentuin en circusdieren vindt u hier:
https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/dierenwelzijn/dierenwelzijn-in-dierentuin
Dierenmishandeling is verboden. Bij dierenmishandeling:
 kunnen daders van dierenmishandeling een houdverbod krijgen. Een overtreder mag in die periode
geen dieren houden. Bij ernstige dierenmishandeling is een levenslang houdverbod mogelijk;
 kan een bedrijf, inrichting of locatie moeten sluiten die het welzijn van dieren in gevaar brengt;
 kan het verbod voor deelname van dieren aan tentoonstellingen, wedstrijden of keuringen worden
uitgebreid. Het gaat om dieren met een lichamelijke ingreep zonder medische noodzaak.

Een dier dat wordt geslacht dient voor het doden bewusteloos te worden gemaakt (= ‘bedwelmen’).
Een uitzondering op de regel is gemaakt voor het slachten volgens Joodse of islamitische rituelen. De
overheid controleert of een slachthuis dat het onbedwelmd ritueel slacht, toestemming heeft. Deze
slachthuizen dienen zich ook bij de overheid aan te melden. De overheid doet ook toezicht of deze
slachthuizen werken volgens de door de overheid vastgestelde regels . Tijdens de religieuze feestdagen
waarop de rituele slacht plaatsvindt, doet de overheid extra controles.

 

background